Deel dit artikel:

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp
Share on email

Sire, er zijn fietsende vrouwen die hun plan kunnen trekken

Ik voelde me koud gepakt. Bekeken. Gekeurd en afgekeurd vooral. Bestempeld als groentje. Als beginneling zonder talent. Al mijn stekels stonden recht. Ik draaide me om en diende de onbekende man van antwoord. Achteraf had ik wel wat spijt van mijn stoute muil. Maar kunnen we eindelijk stoppen met vrouwen op de fiets te betuttelen?

Laat me beginnen bij het begin. Ik ben een gravelbike voor ons magazine aan het testen. Prima fiets die Liv Devote, alleen liggen er niet de meest geschikte banden op voor modderpartijen. De eerste ritjes op pure gravel liepen zo fantastisch dat ik niet meteen stilstond dat diezelfde banden voor problemen zouden zorgen na een paar regendagen. Wel dus. Zodra ik de eerste modderstrook voor de wielen kreeg, zwiepte ik van links naar rechts en terug als een pas gevangen paling in de handen van een visser. Ik probeerde me zo goed mogelijk recht te houden, haalde het einde van de strook – weliswaar aan slakkentempo – zonder kleerscheuren. Vloekte dat ik geen andere banden had opgelegd of gewoon mijn mountainbike had genomen. Ik was op ontdekking langs een nieuwe route en kon alleen maar hopen dat de andere onbekende paden er wel deftig bij lagen.

You talking to me?

Helaas pindakaas. Een paar kilometer verder in Drongen volgde een echt modderbad. Bovendien was het meest berijdbare paadje een smalle, kronkelende singletrack tussen enkele bomen en een gracht. Zelfs dat stond soms onder water. Normaal zou ik hier met mijn mountainbike doorstuiven met een duivelse lach terwijl de modder rond mijn oren vloog. Niet dus vandaag. Al na twee meter schoof ik een eerste keer weg. Omdat ik een paar keer rond een boom moest rijden, met die gracht verraderlijk dichtbij, leek het me veiliger om af te stappen om er geen nat pak aan over te houden. Ik was bijna aan het einde van de modderpartij toen ik dus die stem hoorde. “Kleiner schakelen!” Ik keek om en zag twee man dichterbij komen. Ik hoopte dat de voorste het tegen zijn maat had die achter hem reed. IJdele hoop. Ze haalden me in. “Kleiner schakelen”, zei hij opnieuw, nu recht in mijn gezicht. Mijn hoofd kleurde in een fractie van een seconde helemaal rood. Van schaamte. Maar ook van kwaadheid. Meende hij dit? Had ik niet gewoon materiaalpech kunnen hebben? Van waar die overhaaste beslissing dat het wel aan de skills van ‘dat madammeke’ zal liggen?

Beschuldigde sta op

Wil de advocaat van de tegenpartij eerst verzachtende omstandigheden inroepen? Ja, dat wil hij. “Kijk, mevrouw Verdonck. U ziet, in dit coronajaar zijn heel veel mensen beginnen te fietsen. Het lijdt dan ook geen twijfel dat mijn cliënt vermoedde dat u, wandelend naast uw fiets, een van de beginners was. Mijn cliënt dacht er goed aan te doen u wat gratis advies toe te werpen in de hoop dat u de volgende strook wel op de fiets zou kunnen blijven en zodoende met meer voldoening uw tocht zou kunnen afsluiten. Mevrouw Verdonck, beseft u dat u met uw serpentig antwoord over al uw jaren ervaring en dat het aan de banden lag, meneer in zijn goedbedoelde zachtheid heeft gekwetst?” Tuurlijk besef ik dat de man de beste bedoelingen had. Maar anderzijds: had hij hetzelfde gezegd tegen een onbekende man die daar voortstrompelde? “Hey vent, trap es wat kleiner?” Was het feit dat ik een vrouw ben, niet de reden dat hij me van net dat type advies bediende? Dat hij voorbarige conclusies trok dat het aan mezelf lag? Zou hij aan een man niet eerder neutraal gevraagd hebben: “Hela. Problemen? Kan ik helpen?”

Genoeg is genoeg

Ik heb het zo stilaan gehad. Met mannen die ondanks mijn twintig jaar ervaring op de fiets denken dat ik een serreplantje ben. De mannen die op een col naast me komen rijden en zeggen “dat ik op tijd moet eten en drinken” alsof het mijn eerste bergrit betreft en ik te blond ben om daar zelf aan te denken. Die de pomp bijna uit mijn handen trekken als ik een platte band heb “omdat het dan wat sneller gaat en ik mijn handen niet moet vuilmaken” (toegegeven, soms is het wel handig). Die, als ik me uit een groep laat zakken bergop, me ongevraagd een duwtje in de rug komen geven. Of erger, een duwtje op een malser stukje vlees nét onder mijn rug. Die niet alleen zeggen dat ik kleiner moet schakelen. Soms zelfs brullen dat ik “groter moet schakelen” als ik niet vooruit geraak op de kasseien. (Een handbreuk was nog niet volledig hersteld en de shocken deden pijn, maar ik had geen adem over om dat terug te brullen.) Dus ja, lief hoor, als mannen me in al hun wijsheid verlichting willen brengen. Weet alleen dat goede bedoelingen soms neigen naar betutteling. Misschien wil ik inderdaad wel hulp, maar laat me even de keuze, wil je? En mijn lontje mag dan aan de korte kant zijn, is het niet stilaan tijd dat we vrouwen als volwaardige fietsers beschouwen?

Geen doetjes

Is een Annemiek van Vleuten die met een polsbreuk het WK reed, niet het zoveelste bewijs dat vrouwen op de fiets geen doetjes zijn? Tuurlijk zijn er beginnende vrouwen die nog niet goed kunnen schakelen. Of moeite hebben om een band te vervangen en dan maar naar huis bellen voor een lift als ze platvallen. Anderzijds kan ik in één adem zo een tiental vriendinnen noemen die in de middle of nowhere hun plan trekken bij pech. Mijn beste vriendin leerde zichzelf onlangs nog remkabels te vervangen door een filmpje op Youtube. Hoe dan ook heb ik zo mijn kleine weerwraakjes. Ik maak er een sport van om te stoppen als ik een mannelijke fietser met pech langs de weg zien staan. Als hij zijn band aan het vervangen is, vraag ik: “Gaat het? Moet ik helpen?” De verbaasde blik op hun gezicht: goud waard.

Gerelateerde artikels