Deel dit artikel:

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp
Share on email

Ronde van Vlaanderen

De Ronde van Vlaanderen beroert jaar na jaar vele harten. Zelfs zij die niets hebben met het wielrennen koers, zijn dan op post. Want De Ronde is De Ronde. Zo is er maar één. Géén klassieker die vooraf méér wordt gehypet dan Vlaanderens Mooiste. Wij fietsten de nieuwe finale (met de lusjes rond Oudenaarde) maar konden het niet laten om toch ook even de oude finale (met de legendarische Muur van Geraardsbergen die zovele finales heeft bepaald) van dit voorjaarsmonument te herontdekken.

Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk. Klunk.
Betonplaten onder me, betonplaten achter me, betonplaten voor me. Mijn wielen bonken van de ene plaat naar de andere, kilometer na kilometer na kilometer. Eigenlijk is het eerste deel van het parcours van de Ronde van Vlaanderen in één woord samen te vatten: klunk.
De eerste honderd kilometer van De Ronde zijn een soort zwart gat. Je ziet er vrijwel nooit iets van op tv – hooguit enkele opgenomen beelden van favorieten die na een val kermend in de berm naast de betonplaten liggen. Maar verder is het een vergeten deel van de Ronde, een deel van Vlaanderen dat ik me nooit kan herinneren, hoe vaak ik er ook ben geweest.
Het heet hier Otegem, geloof ik. Maar het kan ook zomaar Avelgem, Bellegem, Rollegem of Weetikveelwattegem zijn. De dorpen op dit deel van route van lijken allemaal op elkaar. Er is een kerk, een café en een frituur met formicatafeltjes. De huizen zijn opgetrokken met oranjebruine bakstenen, voor de ramen dichtgeschoven rolluiken. Grootmoekes in bloemetjesjurken vegen hun stoepjes schoon.

Achtbaan

Pas in Oudenaarde begint de Ronde echt. Brede banen zijn er vanaf nu nauwelijks meer, vlakke weg al helemaal niet. Ik vis mijn kaartje uit mijn achterzak. Drie grote lussen zijn er uitgetekend. Volgens het kaartje is het vanaf nu links, rechts, op, af, draaien en keren: hier begint de achtbaan.
Koersen zonder parcourskennis in Vlaanderen is als de weg proberen te vinden in Almere-Muziekwijk zonder TomTom: kansloos. Als je niet weet waar je vooraan moet zitten, kun je eigenlijk net zo goed thuisblijven. In een ver verleden heb ik zelf gekoerst in deze omgeving. Mijn tactiek was afgestemd op de Vlamingen om me heen. Als die nerveus werden en zich roepend, tierend, duwend en trekkend naar voren probeerden te werken, dan deed ik met ze mee. Die tactiek werkte overigens nooit. Ik reed continu achter de feiten aan, net als vrijwel alle andere niet-Vlamingen.
De Ronde van Vlaanderen begint eigenlijk pas na 112 kilometer, bij het opdraaien van de Oude Kwaremont. De Oude Kwaremont is zo’n beetje het epicentrum van Vlaanderen. Iedere zichzelf respecterende wielerkoers gaat erover heen. Zonder Oude Kwaremont tel je eigenlijk niet mee. En omdat de Ronde van Vlaanderen van zichzelf vindt – terecht overigens – dat het de belangrijkste koers van het jaar is, doet ze de Oude Kwaremont drie keer aan. Dat is handig voor de vips: die kunnen in de grote witte tent babbelen over hun aandelenportefeuille en de kwaliteit van de geserveerde amuses… en af en toe even een blik werpen op de renners die langs zwoegen.

Heilig

Als ik de Kwaremont ben gepasseerd, begint het feest. De Kortekeer, de Eikenberg, de Wolvenberg, de kasseien van de Holleweg bij Mater: dit is de speeltuin van het wielrennen. Om iedere bocht ligt een klimmetje, om iedere hoek een kasseistrook en op iedere vierkante centimeter een verhaal. Ik stop bij het café op de hoek van het Materplein om mijn bidon te vullen en om te kijken naar de stenenstrook die dwars door het dorp loopt. Eerlijk gezegd ben ik er stikjaloers op. In Nederland zouden deze kasseien al honderd jaar geleden zijn vervangen door saai maar goedlopend asfalt. Maar in Vlaanderen blijven de stenen liggen. Auto’s, fietsers en omaatjes met rollators: iedereen dokkert over de kasseien heen alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Niet handig? Jammer dan. De stenen gaan nooit weg, want de koers moet erover. En de koers is heilig.
Na Mater volgen meer kasseien. En bergjes. En bergjes met kasseien. Ik passeer het paaltje waartegen mijn Ronde van Vlaanderen voor beloften ooit eindigde, het huis van Peter van Petegem, en een schuur waarop wielrenners geschilderd staan met Lance Armstrong voorop, in een gele trui. Dat hij die trui al heeft moeten inleveren, lijkt hier nog niet doorgedrongen.
Bij kilometer honderdzeventig kom ik bij een stuk asfalt dat loodrecht omhoog de hemel in loopt: de Berendries. Persoonlijk vind ik het de mooiste klim van Vlaanderen. Niet vanwege de klim zelf, want die is niet heel bijzonder – al is het in Vlaanderen al heel wat dat er een klimmetje ligt dat niet is volgesmeten met kasseien – maar vanwege de naam. De Berendries, dat is een gedicht met twee woorden. Om te huilen zo mooi. Toen ik vijftien was sprak ik met twee vrienden af dat we onze zonen later Berendries zouden noemen. Wat tot op heden overigens nog niet is gebeurd: we hebben alledrie een dochter.


Toch de Muur

Na de Berendries kan ik mezelf niet bedwingen en wijk van het parcours af. Toedeledokie Wouter Vandenhaute; op naar Geraardsbergen, op naar de Muur. Want laten we wel wezen: de Ronde zonder de Muur is als frieten zonder zout. Het klopt niet meer, de laatste jaren. Er mist iets. Een ijkpunt, een icoon, een scherprechter.
Als ik aankom bij de Muur begint het zachtjes te regenen. Tranen biggelen over de stenen naar beneden. De Muur ligt hier maar te liggen, het hele jaar door. Ja, tuurlijk, er komt af en toe nog wel eens een etappe van de Eneco Tour langs, maar de Ronde van Vlaanderen gaat al jaren vreemd met andere bergjes. Ik ploeter over de natte steentjes omhoog. Boven, bij het kapelletje, knik ik nog even naar de Muur en fluister ik dat hij zich taai moet houden. Daarna fiets ik terug naar het parcours van de nieuwe Ronde: via de Kaperij en de Kanarieberg naar – alweer – de Oude Kwaremont.
Ik weet niet wat het is met de stenen van de Kwaremont maar ze liggen erbij alsof ze door de Romeinen uit een helikopter zijn gesmeten. Ik rij niet óver de stenen, ik rij er tegenaan. En het vals plat bovenop duurt zoals altijd langer dan ik denk. Na de Kwaremont duik ik links naar beneden, een boerenpaadje in. Het is hooguit drie meter breed, maar met een beetje gooi- en smijtwerk haal je hier de tachtig kilometer per uur wel. Onderaan de afdaling schakel ik terug naar het binnenblad omdat ik weet wat er komt na een scherpe rechtse bocht: de Paterberg. Vierhonderd meter lang, maar allejezussteil. Het verhaal gaat dat de kasseien zijn aangelegd door een boer die heel graag de Ronde van Vlaanderen door zijn achtertuin wilde laten rijden. Maar dat verhaal is helaas te mooi om waar te zijn: de strook stenen is aangelegd door de gemeente Kluisbergen. Ze hebben in ieder geval één ding goed gedaan: links naast de kasseien ligt een betonnen gootje dat veel beter bolt dan de stenen. En aangezien mijn benen al tientallen kilometers op bezwijken staan, maak ik er dankbaar gebruik van.

Pielverzetje

Maar na de Paterberg volgt de Koppenberg. Daar is geen gootje. En het ding is nog steiler dan de Pater. De kasseien zijn nat en modderig: mijn achterband slipt weg bij iedere pedaalslag. Ik beperk me tot fietsend boven komen op een pielverzetje. Dat lukt, maar daar is dan ook alles mee gezegd.
Mijn tellertje geeft bijna tweehonderdvijftig kilometer aan als ik over de Steenbeekdries en de Taaienberg (lang leve het gootje) sukkel. Het laatste lusje is er teveel aan, net als in de koers overigens. Nóg een keer de Kwaremont, nóg een keer de Paterberg… Het is niet meer dan logisch dat de renners in de Ronde tegenwoordig wachten, wachten en nog eens wachten.
Na de laatste passage van de Pater rol ik met een slakkengangetje richting finish. Langs Elsegem, langs Petegem, langs Weetikveelwattegem. Langs Frituur Dorine, langs oranjebruine huizen met aangeveegde stoepjes en de rolluiken gesloten. Dit is Vlaanderen. Het land van De Ronde. Het land van De Koers.


– FLASHBACK –

1977: Maertens als gangmaker
Wist Freddy Maertens veel. Hij had niet meegekregen dat hij niet van fiets mocht wisselen op de Koppenberg. En dus wisselde hij. En dus volgde er een diskwalificatie, zoals van tevoren was aangekondigd door de jury. Maar Freddy weigerde uit de koers te verdwijnen. In plaats daarvan reed hij als een kip zonder kop naar de streep. De enige die hem kon volgen was Roger De Vlaeminck. Tachtig kilometer lang zat De Vlaeminck in het wiel bij Maertens. Vlak voor de finish hoorde Maertens dat hij toch niet gediskwalificeerd zou worden. Dat was te laat: De Vlaeminck won met twee vingers in de neus de sprint. Overigens werd Maertens weken later alsnog uit de uitslag geschrapt: er werden amfetaminen gevonden in zijn plasje.

1992: Jacky’s marathonvlucht
Het groepje met nobele onbekenden reed weg na 43 kilometer. Van het kwartet Patrick Roelandt, Hervé Meyvisch, Jacky Durand en Thomas Wegmüller had alleen die laatste enige naam als hardrijder. De grote mannen vonden het wel best. Ze lieten het kopgroepje minuten wegrijden. Vijf, tien, vijftien, twintig minuten. Ze zouden zichzelf wel doodrijden daar vooraan. De favorieten schoten pas wakker op zestig kilometer voor de streep. En toen was het al te laat. Ze zagen Wegmüller en Durand pas na de finish terug. Durand loste Wegmüller op de Bosberg en reed solo naar Meerbeke. Edwig van Hooydonck werd, bonkend op zijn stuur, pas derde. Zelden eindigde de Ronde in zo’n grote anticlimax.

1999: Net niet voor VDB
1999 was het wonderjaar van Frank Vandenbroucke. Het godenkind van Ploegsteert was de uitgesproken kopman voor de klassiekers bij het Franse Cofidis. In Parijs-Nice had VDB al getoond klaar te zijn voor het voorjaar. In de Ronde van Vlaanderen koerste hij heel offensief. Op de Vesten in Geraardsbergen, net voor het opdraaien van de Muur, komen Vandenbroucke en enkele andere renners ten val en het zijn Peter Van Petegem en Johan Museeuw die een bres slaan. De koers leek gereden. Tot Vandenbroucke de kloof dichtte op de Bosberg en ze met z’n drieën naar de streep fietsen in Meerbeke. Van Petegem troeft daar zijn medevluchters af. VDB is tweede, net als in 2003 toen Van Petegem hem opnieuw het nakijken gaf. Wijlen VDB zou de Ronde nooit winnen.

2010: Superman Cancellara
In het voorjaar van 2010 speelt Fabian Cancellara met de pedalen. Hij is topfavoriet om zijn eerste Ronde te winnen. Toch ziet het er even benard uit voor de Zwitserse kampioen wanneer hij in Mater tot twee maal toe van fiets moet wisselen, voer voor heel wat speculatie achteraf. Op de Molenberg acht Cancellara dan zijn moment gekomen en versnelt fors. Uitdager Tom Boonen is de enige die zijn uitval kan counteren. Met z’n tweeën kleuren ze de finale, tot Cancellara weergaloos en zittend in het zadel versnelt op de steilste strook van de Muur van Geraardsbergen. Cancellara is een maat te sterk voor de rest. Wanneer hij een week later een gelijkaardige raid uit de benen schudt in Parijs-Roubaix, duiken als snel de geruchten van het ingebouwde elektrische motortje op.