Deel dit artikel:

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp
Share on email

Renner zijn in Oostenrijk

Jaarlijks wordt in Deutschlandsberg, een district van de Oostenrijkse regio Stiermarken, de Wereldwielerweek georganiseerd. Deze zomer is de ‘Weltradsportwoche’, die staat voor een week lang ‘koersen’ voor recreanten, al aan zijn 40ste editie toe. Medewerker Kenneth Mercken heeft een abonnement op de Weltradsportwoche, is er jaarlijks present. Lees zijn verhaal en krijg zin om ook naar het groene hart van Oostenrijk te reizen om je er een week lang renner te voelen. Het is een verhaal over zure wijn, een witte dame en de treurigheid van verspilde adrenaline … Hier lees je de reportage die verscheen in Grinta! n°30 én het vervolg …

Zaterdag 13 augustus
10.25 uur
Met een volume dat quasi zeker permanente gehoorschade zal opleveren, knalt ‘Rage against the machine’ door de boxen. Desondanks probeert Roel, mijn reisgenoot en cameraman, te pitten. Ik gun het hem niet, net zoals hij dat vannacht niet deed. De muziek doet me beseffen dat ik op leeftijd kom. Ik laat mijn vermoeide ogen over de golvende wegen dwalen. Op dit asfalt verloor ik voor het eerst mijn hart aan de wielersport. Toen leek alles nog zo veelbelovend. Ik probeer mezelf voor te houden dat ik naar hier ben gekomen om extra beeldmateriaal te draaien voor een kortfilm, maar in alle ernst; de echte reden is de ‘Weltradsportwoche’.
Nauwelijks 18 was ik. Bij mijn eerste deelname zette ik meteen het eindklassement op mijn naam. Zei het dat die zege aan een zijden draadje heeft gehangen. Na een nachtelijke uitspatting in het nabije Graz, waarbij ik mijn enkel verzwikte, was er een wonderbaarlijke interventie nodig van een plaatselijke sportarts om me alsnog in staat te stellen het eindklassement te redden in de afsluitende tijdrit.
Ik laat Roels A3 flink scheuren en voel me even weer 18. Wat bezielde me om vorige week mijn ouders – toen al ter plaatse; mijn vader neemt acclimatiseren ernstig – op te bellen en hen te vragen mij in te schrijven? In een bevlieging heb ik welgeteld een week geleden mijn fiets van onder het stof gehaald en elke dag hard getraind. Zes dagen. Pure zelfmoord dus. Ik heb het hele jaar niet gefietst en weeg zowat 90 kilogram. Maar goed, het is sterker dan mezelf en ik heb ooit op een hoger niveau gefietst.

15.10 uur
Een paar concurrenten polsen naar mijn conditie. Als ik zeg dat die onbestaande is, levert dat telkens een twijfelachtige blik op. ‘Hij bluft’, zie ik ze denken.
De eerste proef bestaat uit een criterium rond het stadhuis. Linke bochten, kasseitjes; als Vlaming heb ik een streepje voor op de concurrentie die voor namelijk uit Oostenrijk en de naburige Slavische landen komt. Het startschot jaagt mijn hartslag meteen vijftig slagen hoger. Luid klikkende pedalen, krakende kettingen, gevloek in het Russisch en plat Oostenrijks. Eindelijk weer koersen. Waarom ben ik hier ooit ook weer mee opgehouden? 
Al voel ik tijdens het eerste rondje de pedalen niet, het verval zal onvermijdelijk komen. In de derde ronde gaat Pitzl ervandoor, mijn eeuwige concurrent en favoriet voor de eindoverwinning. Even staar ik gebiologeerd naar zijn lange dijen die als bijlen naar beneden vallen. Alsof het hem geen enkele moeite kost. Ik voel de blikken in mijn richting. Ik schakel naar een belachelijk groot verzet en ga recht op de trappers staan. Een luid gekraak en het besef dat ik slechts een schim ben van de renner die ik was, dwingen me terug in het zadel. 
Het vervolg van de koers is één lange martelgang. Lijdzaam moet ik toezien hoe een paar Letten het commando voert en de kopgroep reduceert tot kleine stippen. En dan eindelijk die bel. Een sprintje voor een verre ereplaats moet er toch nog inzitten? Maar als ik aanzet voel ik de verzuring tot in mijn kaken. Ik krijg de pedalen zelfs zittend niet meer rond. Mijn God, laat deze beschamende vertoning ophouden. Drie man passeren me nog en ik eindig 25ste in totaal en 8ste in mijn reeks. Na de meet moet ik even op de grond gaan zitten. Koersen zonder voorbereiding, het kan nooit gezond zijn. Zodra ik weer bij zinnen ben, ontdek ik de reden voor mijn plotse ondergang; een gebroken spaak in mijn carbon achterwiel. De velg zit helemaal geklemd tegen mijn achterrem. Het geeft me toch weer hoop voor de komende dagen. 
Roel vindt het allemaal hilarisch. Hij is niet helemaal overtuigd van de nadelige invloed van een slepende velg, laat staan een slapeloze autorit. Ik laat het over me heen gaan. 
Nadat mijn vader makkelijk de wedstrijd in zijn reeks wint, bestellen we ‘ein grosses Bier’ op een zonnig terras. Ik heb erop gewacht om die woorden uit te spreken. Een ware Belg zal nooit toegeven dat Oostenrijkers bier kunnen brouwen, maar dit goedje loopt bijzonder vlot naar binnen. 

18.23 uur
En dan zie ik haar…Laten we haar Katinka noemen. Hetgeen ‘pure’ betekent. Maar ook wel ‘heilige’. Het eerste, daar kan ik nog inkomen, maar over haar heiligheid heb ik zo al enkele jaren mijn twijfels. Ze glimlacht, wuift naar me en komt naar me toegestapt. Het grasveld van de camping verandert even in een catwalk. Haar benen strak als een tinnen soldaatje maar dan niet zonder de nodige souplesse. Die benen; dansbenen, heeft ze me ooit verteld. “I can look at a woman’s legs for hours”, zei Mickey Rourcke tegen Faye Dunaway maar naar de hare zou ik dagen kunnen kijken.
Ik heb de afgelopen jaren mijn best gedaan om ze te vergeten, die benen, die vlasblonde haren, dat Slavische gezichtje met de hoge jukbeenderen. Ik krijg een week gevoel in mijn maag en weet dat er iets staat te gebeuren. Ze geeft me een kus en glimlacht uitdagend naar me. Ik wil haar omhelzen maar vraag alleen maar hoe het gaat en hoor mezelf stuntelig praten. Of ik mee wil naar een wijnfeest vanavond? Een wijnfeest? Ik heb zowat 48 uur geen bed meer gezien en ben net tot het uiterste gegaan in mijn eerste wedstrijd in tijden. Ik moet rusten, fit raken.
Binnen een uurtje vertrekken?

20.09 uur
Normaal gesproken zou ik rond deze tijd op Pukkelpop zitten en het Schilcherweinfest in Stainz kan de vergelijking maar moeilijk doorstaan. De muziek, de kleding: het lijkt wel alsof ik uit een tijdsmachine ben gestapt. Maar het moet gezegd; Oostenrijkers weten wat plezier maken is. Om indruk te maken op Katinka bestel ik meteen een grote fles Rosé Schilcherwein. Op een wijnfeest dient men immers wijn te drinken. Roel en mijn broer trekken een wrang gezicht bij hun eerste slok, en verdwijnen om even later weer te verschijnen met een glimlach die even groot is als de pullen bier die ze vasthebben. Hij is inderdaad wat aan de zurige kant, die Schilcherwijn. Het is dus aan Katinka en mij om de fles leeg te maken. Wat overigens geen probleem zal vormen, ze is typisch Russisch, ook als het op drinkgewoonten aankomt.
Achteloos maar doelbewust duwt ze haar been tegen het mijne en mijn hart klopt in mijn keel. Je bent getrouwd. Je vent zit verdomme tegenover ons. Terwijl hij de andere kant uitkijkt, maak ik een opmerking over Deutschlandsberg 2008, toen we elkaar voor het eerst zagen.
De fles is leeg en ze heeft me meegesleurd om nieuwe consumpties te halen maar eigenlijk wil ze alleen maar weten wat ik daarnet bedoelde. Ik wil iets zeggen maar de woorden blijven steken in mijn keel. Ze neemt mijn hand vast en zegt dat ik moet spreken, dat we daartoe immers niet altijd de kans hebben. Ik bedenk dat ik drie jaar geleden ook al te laf was en vertel haar honderduit alles wat ik denk en voel. Ze kijkt de andere kant uit. Ik ben een idioot en een smeerlap. Ze heeft al een leven en ik heb me belachelijk gemaakt. Wat haalde ik me in godsnaam in mijn hoofd?
Plots draait ze haar hoofd terug. Haar ogen zijn volgelopen. Een traan rolt over haar wang en ze glimlacht en huilt tegelijk. Wat is ze mooi, denk ik. Zeg ik. Wielrenners hebben stalen harten. Ik ben geen wielrenner meer.

Zondag 14 augustus
8.22 uur
Mijn vader kleedt zich om voor zijn wegwedstrijd. Hij heeft zijn gewoonlijke killerblik op. Voor hem is iedere wedstrijd een wereldkampioenschap. Ondanks zijn 68 is wielrennen een religie. Nee, niet ‘een’ religie, de enige religie. Hij heeft het altijd bijzonder moeilijk gehad om begrip op te brengen voor mensen die niet aan wielrennen doen. Vorig jaar liet hij zich nog opereren aan het hart. Het was geen levensnoodzakelijke operatie maar wel onvermijdelijk als hij opnieuw koersen wou winnen. Levensnoodzakelijk dus. Een leven zonder koersen te winnen is voor hem geen leven. Ik zou haast vergeten dat ik ook ooit zo fanatiek was.

11.35 uur
Net op tijd aan de finish om mijn vader over de meet te zien komen, als winnaar uiteraard. Zoals gewoonlijk, zonder overwinningsgebaar. Zelfs op zijn gezicht vallen geen uitgesproken tekenen van vreugde af te lezen. Voor iemand die zo begaan is met winnen, weet hij zijn emoties verbazend goed te verbergen. Het feit dat hij werd ingelopen door de veel jongere damescategorie en drie dames heeft moeten laten voorgaan in de spurt, stemt hem ook niet meteen euforisch. Op een aankomst bergop dan nog. Een maand geleden werden er bloedklonters vastgesteld bij hem. Hij komt duidelijk kracht en lucht tekort. Maar goed, een overwinning is altijd een goeie reden om een flesje cava open te trekken, volgens mijn moeder. En wie ben ik om haar tegen te spreken?
Tegenover ons ligt Katinka te zonnen. Ik vergewis me ervan of ze alleen is en wandel naar haar toe. Ze bladert achteloos in een tijdschrift. Ze negeert me op dezelfde manier als ze dat de hele dag al heeft gedaan, en dat gaat haar bijzonder goed af. Ze herinnert zich gisterennacht glashelder en zou niet weten waarom onze afspraak vanavond niet zou doorgaan. Ze heeft ook opgevangen dat ik in de namiddag ga filmen en wil graag mee. Ik probeer haar duidelijk te maken dat filmen heel saai is en eindeloos kan duren maar ze heeft al beslist. Ze is dat soort vrouw.

15 uur
Om mijn benen te sparen voor morgen en ook wel omdat ik me toch een beetje suf voel, rijden we met de auto naar de hoogste berg in de buurt. Het uitzicht op 1.100 meter is fenomenaal. Ik figureer als wielrenner terwijl Roel vanuit de auto beelden schiet en daarbij een paar keer zijn nek riskeert. Oostenrijkse automobilisten zijn duidelijk niet gediend met tegenliggers in het midden van de weg, met een openstaande kofferklep waaruit een cameraman bengelt. Maar dodelijke ongelukken worden gelukkig vermeden en de beelden zijn prachtig.

21.45 uur
Het wijnfeest is alweer uiterst gezellig. Dit keer zijn we alleen. Ik hou het dit keer bij bier. Ze zegt dat ze liever niet wil dat ik haar aanraak. Het heeft me heel wat jaren gekost maar ik geloof dat ik stilaan begin te begrijpen wanneer vrouwen het tegenovergestelde bedoelen van wat ze zeggen. Ik trek haar kleine lijf dichter naar me toe en ze omhelst me. Ik voel haar lippen even mijn gezicht beroeren. Verder gebeurt niets noemenswaardig en lig ik om twee uur in mijn bed.

Maandag 15 augustus
9.04 uur
“Ha, Fausto Coppi… en zijn witte dame.” Met die woorden begroet mijn broer me aan de ontbijttafel. Gelukkig snapt niemand waar hij het over heeft.
Ik eet niet veel want vandaag staat de koppeltijdrit op het programma: ik en mijn vader starten in de vader-zoonklasse als favoriet. Al moet gezegd worden dat onze vorige deelnames niet altijd succesvol verlopen zijn. Over onze allereerste deelname wordt nu nog gesproken. Voor het vertrek kregen we al ruzie over wie er op kop zou starten. Het scheelde geen haar of we gingen met elkaar op de vuist. Even later reden we met een zodanige snelheid voorbij een signaleur dat hij ons niet eens opmerkte. Vloekend en tierend draaiden we ten slotte rondjes in een godverlaten industriezone, hopeloos op zoek naar de finish, met op ons tellertje een gemiddelde dat ruim drie kilometer hoger lag dan dat van de winnaars. Niets zo triest als verspilde adrenaline.
 
11.01 uur
Mijn pa trakteert me op een wat overdreven scheldtirade omdat ik net voor de tijdrit nog aan mijn fiets sleutel. Op de camping kijkt er niemand nog raar op als hij loopt te roepen. Ik negeer hem waardoor hij zijn geduld nog meer verliest. Hij heeft het nodig om zichzelf op te laden.
Omdat ik bij de opwarming wat al te enthousiast begin te vlammen en met een witte dame in mijn hoofd zit, sla ik een verkeerde weg in. Als ik uiteindelijk, meer dan warm gedraaid, aan de start kom, blijkt dat we de start gemist hebben. Mijn vader – het is nooit een erg geduldig mens geweest – maakt weidse wegwerpgebaren van op afstand. Als ik nog wil starten moet ik het maar gaan vragen aan de organisatie. Hij heeft er geen zin meer in. Ik excuseer me bij de wedstrijdcommissaris, en die is zo vriendelijk om ons alsnog, als laatste van start te laten gaan. Tot aan de start zegt mijn vader geen woord meer tegen me en trekt een gezicht alsof hem een groot onrecht is aangedaan.
Opeens besef ik dat dit ons normale omgangspatroon is. Ons opgelegd door onze natuur. Al zouden we willen, we kunnen niet anders. En dat ik van geluk mag spreken; de meeste vaders van 68 liggen de hele dag in hun zetel of zitten al in een rusthuis.
Tot mijn eigen verbazing heb ik goeie benen. Ik laat mijn tellertje nooit onder de 45 zakken en we lopen in de eerste helft al drie koppels in. Maar als ik na het keerpunt omkijk om te zien of mijn vader de bocht goed door kwam, zie ik dat hij 200 meter achter ligt.
Hij doet niet eens moeite om het verschil goed te maken. Wil hij wraak nemen voor het feit dat ik te laat aan de start kwam? Ik ga naast hem rijden en zie dat hij helemaal stuk zit. Uit pure trots heeft hij zich helemaal naar de verdoemenis gereden in mijn wiel. Hij sterft nog liever dan aan zijn eigen zoon te moeten vragen om te minderen.
Ik zeg dat hij moet roepen als het te hard gaat en drijf de snelheid langzaam weer op. Maar na 500 meter moet hij opnieuw lossen en ik weet nu dat de overwinning definitief weg is. Op twee kilometer voor de meet wil hij helemaal opgeven. Ik maak me kwaad en duw hem voort. Hij is altijd al een slechte verliezer geweest. In de laatste kilometer hou ik wat in om hem niet te lossen. Die schande wil ik hem besparen.

14.30 uur
Vijfde op ongeveer een minuut van de winnaars. Een resultaat dat mijn vader niet bepaald tot tevredenheid stemt. Met gebogen rug zit hij in een stoel onder het afdak van de camper. Hij beweegt niet en zegt de hele tijd geen woord. Opeens lijkt hij wel een oud mannetje. Hij wil niet mee naar de prijsuitreiking. Het argument dat dit onfair is naar de organisatie en de andere deelnemers maakt weinig indruk op hem. We besluiten gezamenlijk om de pater familias even alleen te laten.

17 uur
Ik klauter in wieleroutfit en fietsschoenen naar de top van de berg met mijn fiets op mijn rug, als een verdwaalde veldrijder. Enkele wandelaars gapen me vol ongeloof aan, maar beantwoorden mijn begroeting hartelijk. Dit doet de benen ook weer geen goed maar het uitzicht is ronduit magisch. We worden opgeslokt door een dikke mist die aan een surrealistische snelheid wordt voortgestuwd door een nauwelijks voelbaar windje. Ik figureer op de rand van een vlijmscherpe rots die in mijn zitvlak snijdt. Filmen betekent lijden. Ik neem een slok van een biertje dat we daarnet in voor een schandalige prijs in een verlaten après-skibar op de kop hebben getikt. Als Roel alles gefilmd heeft wat we nodig hebben, verdwijnt hij even in de mist om enkele beelden te schieten van een paar koeien. Hij is opgegroeid in een agrarische omgeving en heeft daar een vreemdsoortige fascinatie voor die beesten aan overgehouden. Ik blijf even zitten op mijn rots. Beneden, onder het wolkendek, moet ergens de afgrond gapen. “Wanneer je te lang in de afgrond kijkt, kijkt de afgrond ook bij jou naar binnen”, zei Nietschze, en ik heb het gevoel dat ik voor het eerst begrijp waarover hij het had.
   
23.54 uur
Op de camping zijn alle lichten gedoofd en slaapt iedereen. Met uitzondering van het Belgische vak uiteraard. Ik vraag me af waarom de andere bewoners ons nachtlawaai al jaren tolereren. Misschien omdat we telkens met de grootste trofeeën naar huis komen? In de kelder van mijn ouderlijk huis breek je je overigens de nek over die dingen. De meest afzichtelijke trofeeën die men zich kan inbeelden, maar mijn vader koestert ze alsof ze van echt goud gemaakt zijn. Doorgaans smijt hij alles weg. Boeken zelfs. Boeken waarvan ik heb gehouden. Maar laat niemand aan zijn bekers komen.
Luc, sinds jaren onze buurman, tapt aan een stuk door moppen. Hij trekt daarbij de meest onnozele expressies en gebruikt, als een volleerd acteur, alles aan zijn struise lichaam om onze lachspieren te prikkelen. Alsof hij daar zijn mindere prestaties op de fiets mee wil goedmaken. Hij onderging ooit een hersenoperatie en zijn gezondheid laat eigenlijk niet toe om te koersen. Maar hij kan het niet laten en is daarmee lang niet de enige. In de koers eindigt hij bijna steevast als laatste. Vorig jaar nog werd hij het mikpunt van onze gezamenlijke spot omdat hij de meet pas bereikte toen de finishplek al lang afgebroken en verlaten was. Maar als het op grappen maken aankomt, is Luc onklopbaar.
Af en toe, tussen de lachsalvo’s door kijk ik naar Katinka’s tent, ook in duisternis gehuld. Ik denk niet dat ze nog komt, zoals ze beloofd had. Ik vraag me af of ze slaapt, waaraan ze denkt, of ze droomt.

Dinsdag 16 augustus
10.45 uur
De eerste wegwedstrijd wordt gereden onder een zon die slachtoffers gaat maken. Het enige dat ik wil is in alle anonimiteit de koers uitrijden en aan het einde mijn sprintersbenen bovenhalen. Om een plaatsje weg te kapen, voor de neus van de jongens die dat harder verdienen. Er was ooit een tijd dat ik voor dat soort wedstrijdtactiek mijn neus ophaalde.
Op de voorlaatste helling ga ik nog mee met de besten van het peloton maar op de laatste helling hang ik aan het staartje van de groep. Ik moet alles uit de kast halen om aan te klampen. Langs de kant roepen mensen mijn naam. Ik wend mijn ogen beschaamd naar het asfalt. Als we bijna boven zijn, is het over. Mijn benen ontploffen. Er was een tijd dat ik mezelf eerder een hartaanval had bezorgd dan dat laatste wiel te lossen. Maar nu breekt mijn wil. Machteloos moet ik toezien hoe de groep van me wegrijdt. Ik zal alleen naar de finish moeten. En dan is er plots die hand op mijn rug…
De hand van iemand die zijn goed zoon kent. Die wist waar hij in de problemen zou komen. Op een plek zonder volk langs de kant. Ik maak een flauw wegwerpgebaar. Te flauw. Wat is dat toch met dat verdomde eergevoel van ons? Als jonge snaak van 16 reed ik voor het eerst samen met mijn vader in een grote wedstrijd. We rijden voor hetzelfde team maar dat betekent niet veel. Al zijn collega’s van het werk staan aan de finish. De eerste 3 plaatsen zijn weg, maar wij strijden samen om de overwinning in de pelotonspurt. Die koers kan ons gestolen worden, het gaat om de strijd tussen ons twee. De laatste lijn loopt omhoog en ik passeer hem. Wat een machtig gevoel om eindelijk zijn maat te nemen. Hij is kansloos. Zijn collega’s gaan te keer als gekken. De baas wordt geklopt door zijn eigen zoon. Maar dan plots die arm in mijn ooghoek. Ik ken die arm. Ik ken er ieder pikzwart haartje van. Discreet maar onontkoombaar word ik naar de nadar gedwongen. Hij vermoordt me. Zijn eigen vlees en bloed. Ik moet beide remmen dichtknijpen om niet in het decor te eindigen. Hij en niemand anders wint de pelotonspurt. Na de meet foeter ik hem uit. Ik had kunnen verongelukken. Hij zegt het met een kalme grijns: “De winnaar heeft altijd gelijk.” Ik denk dat ik toen mijn onschuld verloren ben.
Dus ik laat hem nog een keer duwen. Ach, twee glazen bier minder of een uurtje slaap meer en ik had het op eigen kracht gekund, hou ik mezelf voor. De duw geeft me net genoeg lucht om weer aan te sluiten.
Als we onder de rode vod duiken, ben ik herboren. De adrenaline jaagt door mijn lijf. Ik zoek het perfecte moment om net voor de laatste bocht iedereen voorbij te gaan en dan flink in de remmen te duiken. De laatste jongen uit de rij, een Let van nauwelijks 16 jaar, laat me niet begaan. Ik voel hoe mijn elleboog de zijne opzoekt. Het is sterker dan mezelf. Hij moet in de remmen en scheldt me uit in zijn taal. Ik trakteer hem op mijn beurt op mijn volledige vocabularium in het Russisch, dat voornamelijk uit scheldwoorden bestaat. Woest knalt hij me voorbij op de laatste oplopende rechte lijn naar de meet. Onhoudbaar. Het had mijn zoon kunnen zijn.

23.45 uur
Stainz is uitgestorven; van het meerdaagse wijnfeest is geen spoor meer te zien. Katinka zit zich druk te maken en ik begrijp niet goed waarom. Vrouwen blijven moeilijke wezens om te vatten. Ik neem een slok van mijn bier en doe alsof ik naar mijn schoenen kijk. En dan, totaal onaangekondigd, proef ik haar lippen. Deze last-minute vakantie overtreft alle verwachtingen.
We maken nog een nachtelijke wandeling door het dorp. De mini-huisjes omgeven door dennenbomen en een doodstille heldere nacht doen denken aan een sprookjesdorp. We eindigen op een bankje en worden daar een. Het is te zeggen, ze overmeestert me zowat. Ik laat mijn achterhoofd rusten op de bovenzijde van de bank en begraaf mijn vingernagels in het zachte dennenhout. Op die manier zal ze me nog van mijn laatste krachten beroven. Winnen op de euforie van de verliefdheid, het is flauwekul volgens mij. Ik staar naar een perfecte sterrenhemel en vraag me af hoe Fausto Coppi dat deed.

Woensdag 17 augustus
9 uur
300 meter sprint. Mijn nummer. Hier kan ik me net zo nerveus voor maken als mijn pa. Net daarom lopen er nog al eens dingen mis. Vorig jaar nog haalde ik de eindstreep niet. Wanhopig zwaaide ik nog met een gebroken ketting voor het gezicht van de baancommissaris, maar dat leverde geen herstart op. De ketting brak immers niet tijdens de sprint, maar op weg naar de camping.
Na een nerveuze en nutteloze discussie met mijn pa over achterwielen en de comptabiliteit van onze verschillende schakelsystemen, besluit ik zijn fiets te nemen. Vijf seconden. Mijn hart klopt in mijn keel. Een perfect ondraaglijke spanning. Het is sterven en genieten tegelijk. 3, 2, 1. Ik laat al mijn macht en gewicht op mijn rechterpedaal vallen en dat is wat veel. Ik voel mijn nochtans stijve full carbon frame plooien en geraak niet meteen weg. Bij iedere schakelbeurt bijt de ketting zich niet vast op de tandjes zoals het hoort, en is de krachtoverbrenging niet optimaal. Ik besef nu weer waarom ik zo een Campagnolo-fan ben. Ik begrijp de hele discussie eigenlijk niet. Die Japanners zullen nooit in de buurt komen van het Italiaanse vakmanschap van hun concurrent. Punt.
Met nog honderd meter te gaan voel ik dat ik wat lucht tekort kom. Ook om te sprinten heb je blijkbaar conditie nodig. Tot overmaat van ramp schakel ik naar 13 in plaats van 11. Dank u Sram. Wat een kutsysteem.
Het duurt een eeuwigheid voor de resultaten uithangen. Mijn moeder heeft het over een kerel met een witte helm die wel erg hard ging. Het raakt me. Ik weet dat ze na al die jaren nog altijd geen inzicht heeft in de sport, maar horen moeders niet blindelings en onvoorwaardelijk in hun zoon te geloven, en daarbij alle objectiviteit te verliezen?
De derde tijd. Op 73 honderdste van de eerste. Die stunt met mijn versnelling heeft me makkelijk een seconde gekost. Ik snauw mijn moeder iets toe over die gozer met de witte helm en fiets weg op een erg kinderachtige manier. Ik moet straks voor de derde of vierde plaats rijden in de finale. De eerste plaats is weg. Maar goed, een podiumplaats is ook niet mis. Hoog tijd toch wel dat ik hier eens het podium haal.

16 uur
Een korte wandeling, een picknickdeken en een bloemenjurkje. Ik had kunnen weten waar dat naar zou leiden. Ik fiets met benen als natte vaatdoeken naar de camping om me om te kleden voor de finale. Tijd om een mythe te ontkrachten.
Op de sprintfinale hangt er altijd een speciaal sfeertje. Omdat er veel minder toeschouwers en deelnemers zijn, is het veel stiller op de Siemensstrasse dan vanmorgen. De zon hangt erg laag en geeft een speciaal soort licht. De renners werpen lange schaduwen op het asfalt. Ze lijken allemaal erg geconcentreerd. Aan hun blikken kan je zien dat ze zichzelf heel wat vinden omdat ze in de finale zitten.
Ik voel dat mijn concurrent naar me kijkt maar ik gun hem geen blik. Voor de start heb ik mijn fiets nog een keer geprobeerd, mijn eigen fiets, en hij schakelt als boter. Ik word even heel erg kwaad vanbinnen en denk aan de renner met de witte helm die straks ongetwijfeld zal winnen. En dan heel rustig. Perfect beheerst laat ik mijn gewicht naar voren vallen en schiet weg. Klik, klik, klik. Op het moment dat ik 50 meter weg ben heeft mijn tegenstander de startplek nauwelijks verlaten. De strijd is al gestreden maar ik blijf doorzetten om te zien hoe hard ik kan. Aan het einde zijn mijn 12 tandjes zelfs iets te klein. Totaal overbodig – omdat mijn tegenstander een straatlengte achter ligt en er geen tijdsregistratie meer is – smijt ik mijn fiets over de meet. Ik moet wel twee seconden rapper gereden hebben dan vanmorgen maar de verliezer heeft altijd ongelijk.

Donderdag 18 augustus 
Aan de start zie ik een andere Belg. Hij kijkt me aan met een zorgwekkende blik en biedt me een plek aan in zijn bestelwagen, in de schaduw. Plots krijgt hij mijn bleke gelaat in de gaten, mijn bloeddoorlopen ogen. Een kater, verklaar ik met opgetrokken schouders. Hij kijkt me aan alsof ik gek ben. Misschien is dat wel zo. Wie rijdt er nu een klimkoers in een brandende zon van ruim 30 graden met een kater?
De hele wedstrijd is slechts 3 kilometer lang. Een vlakke aanloop, dan een duik naar beneden en tenslotte zowat 900 meter klimmen met een stijgingspercentage van rond de 20 procent. Met een behoorlijk roekeloze snelheid draaien we de klim op. Dit jaar maakt hij nog meer indruk op me dan anders. Vorig jaar reed ik samen met de latere winnaar op het grote kettingblad iedereen uit het zicht. Nu moet ik respect tonen, de klim en mijn tegenstanders vrezen. Ik blijf verassend goed meegaan. Op 250 meter van de finish hang ik nog steeds zesde. Nu komt het moment dat ik mezelf helemaal te pletter rijd. Maar ergens voel ik dat het niet goed is. Ik kan dieper maar mijn geest wil gewoonweg niet. Een gevoel dat me vreemd is. Ik word net voor de meet ingehaald door een paar renners en eindig achtste. Het had slechter gekund. Desalniettemin moet ik toch langgerekt op het hete asfalt gaan liggen om bij te komen. Ik zal mijn broek daarbij zodanig besmeuren met gesmolten teer dat hij meteen in de prullenmand kan. Mijn vader zal daarvoor weer een behoorlijke scène maken. En als een verwend joch zal ik hem natuurlijk antwoorden dat de sponsor ons zoveel broeken geeft als we maar willen.

Vrijdag 19 augustus 
10.51 uur
Voor de start maak ik een praatje met Frederik Backelandt, hoofdredacteur van het wielertijdschrift Grinta!. Hij ziet er messcherp uit. Duidelijk iemand die leeft voor zijn sport. Ik maak van de gelegenheid gebruik om te solliciteren. Of ik wat kan doorsturen? Hij haalt zijn schouders op en kijkt schuin weg naar de lucht. Ze ontvangen vaak materiaal op de redactie, maar de kandidaten die een pen weten te hanteren blijken schaars.
Wees een man. Zeg dat er voor hem een schrijver staat. Dat je alle groten gelezen hebt; Fante, Miller, Hemingway, Hamsun, Céline. Hun woorden vloeien door je aderen. Hoeveel minuten nog voor de start? Geef me pen en papier, en ik schrijf je een kortverhaal. Kies een onderwerp. Stijl? Thema? Uiteraard denk ik dat allemaal maar zeg niks. Wat voor een schrijver ben ik eigenlijk? Bukowski kon geen bar binnenkomen zonder op de vuist te gaan. Maupassant dronk meer Absint dan water. Hemingway vocht met leeuwen, naar het schijnt.
Soms vraag ik me af wat ik zou doen, oog in oog met een leeuw. Ik zou hem natuurlijk wurgen binnen de vijf seconden. Of een roemloze dood sterven. De grote schrijver Kenneth Mercken liet het leven in een bijzonder heldhaftige maar bloedige strijd met een kolossale Afrikaanse leeuw. Het bloed was uitsluitend afkomstig van de schrijver. Nog voor zijn eerste publicatie. Erg pijnlijk allemaal. Waarom zit die Backelandt eigenlijk de hele tijd naar de wolken te staren?
“Eine Minute bis zum Start.”
Een paar renners slaan een kruisteken. Altijd al een absurd gebaar gevonden. Als er al een God bestaat – hij mag dan nog omnipresent zijn – hij zal zich toch niet gaan bezighouden met een stel gekken die er plezier in scheppen om zich met levensgevaarlijke snelheden van steile hellingen af te storten.
Omdat er een paar renners van zijn categorie zijn weggereden, en de overwinning dus weg is voor hem, biedt Backelandt aan om me een handje te helpen. Belgen onder elkaar. De laatste tien kilometer houdt hij het tempo zo hoog dat er niemand nog zin heeft om aan te vallen.
In de spurt laat ik me ringeloren door een Oostenrijker die zich in mijn wiel genesteld had. Het is niet eens een sprinter. Tweede. Slechts tweede. Ik excuseer me bij Frederik. Ook hij was ervan overtuigd dat de zege voor mij een koud kunstje was.

14.30 uur
Als ik aan de camper kom is er nog niemand thuis. Luc zit voor zijn camper met een bevriende renner. Ze kijken bedrukt. Ik vraag hoe het geweest is. Luc wil iets zeggen maar kan alleen maar neen schudden. Zijn vriend legt uit dat Luc na de aankomst een poos buiten bewustzijn is geweest. Te diep gegaan. Lucs ogen lopen vol. Hij heeft moeite om niet in huilen uit te barsten. Hij zegt dat het voorbij is. Dit was de laatste keer. Ik wil zeggen dat me dat verstandiger lijkt voor hem. Dat hij ook zo hierheen kan komen, zonder te koersen. Maar ik weet tijdig mijn woorden in te slikken.
Wat is het toch met deze sport? Wat is er zo magisch aan, zo mateloos fascinerend dat mensen blindelings hun levens ervoor op het spel zetten?
’s Nachts worden we tegengehouden door een politiepatrouille. Uitgerekend onder de brug waar morgen de tijdrit van start gaat. Omdat we al een paar biertjes op hebben heb ik voorgesteld om te rijden. Als ik zeg dat ik geen rijbewijs of paspoort bij me heb, neemt de agent een houding aan alsof hij me gaat fusilleren. Ze blijken op zoek naar gestolen fietsen en willen weten of die fiets in de koffer de mijne is. Ze besluiten ons te volgen naar de camping.
Wat later loop ik over de camping met een politiepatrouille achter me aan. Ze lichten het hele terrein op met hun krachtige zaklampen. Gelukkig slaapt iedereen al. Waarom overkomt mij dit soort dingen altijd? Ik toon mijn documenten en kom er vanaf met een lichte boete. Weeral half drie.

Zaterdag 20 augustus 
15 uur
Na een afsluitende tijdrit waarin ik halfweg de prijs betaal voor mijn nachtelijke uitstapjes, eindig ik 3de in het eindklassement. Een resultaat waarover ik, gezien de omstandigheden niet ontevreden ben. Omdat ik een pint zit te drinken met een Russische vriend in het café naast de zaal waar de prijsuitreiking doorgaat, en daarbij de tijd uit het oog verlies, mis ik het podium en mijn medaille. Mijn vader is woedend en noemt me een complete gek, zo luid dat iedereen het kan horen. Hij is blijkbaar vergeten hoe vaak hij zelf het podium misliep.

Zondag 21 augustus
12.21 uur
Omdat we nog een paar dagen langer blijven, maak ik een lange rit op mijn tijdritfiets. Langzaam aan voel ik de vorm in mijn benen kruipen. Als ik terugkeer zijn de laatste campers en tentjes weg. We staan nog als enige op de camping en alles geeft een doodse indruk. Deutschlandsberg toont plots weer haar ware gezicht; een triest, saai dorpje.
Ik vraag of mijn ouders zin hebben om te vertrekken en ze stemmen opgelucht toe. Mijn pa is onder een hoed te vangen bij zulke hitte. Omdat het zowat 35 graden is en mijn lichaam blijft nazweten van de inspanning, besluit ik om even in een stromende beek te gaan liggen.
De verkoeling is zalig. Het water staat zo laag dat ik met mijn rug op de frisse, ellipsvormige keien kan gaan liggen terwijl de waterlijn net tot aan mijn oren komt. Ik denk aan Katinka en vraag me af of het de laatste keer is dat ik haar ooit gezien heb. Ik heb moeite om me de contouren van haar gezicht voor de geest te halen. Alsof mijn geheugen nu al bezig is om haar uit te wissen. Volgend jaar begin ik twee maanden op voorhand te trainen en win ik alles, neem ik me voor. Meteen erna besef ik dat ik me dat elk jaar wel voorneem rond deze tijd.