Deel dit artikel:

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp
Share on email

Milieumissionaris

Ik dacht dat mijn vermogen tot ergernis met de leeftijd zou afnemen. Het tegendeel blijkt waar te zijn. Hoe ouder ik word, hoe meer adrenaline ik produceer. Hoe grijzer, hoe gallischer. Als ik word geconfronteerd met hoogmoed, onrechtvaardigheid en vooral domheid, komt de stoom me uit de oren. Nu ik eraan denk, oren zijn als ergernis: ook zij worden met de jaren groter.

Achter het stuur van mijn wagen pleeg ik me al behoorlijk druk te maken over de alomtegenwoordige onhoffelijkheid, het kinderachtige machogedrag en het domme egoïsme die tal van mijn medebestuurders sieren. Maar gezeten op een fiets kan mijn irritatie ongekende hoogten bereiken.

Mijn bloed kookt als ik aan de kant van het autovrije jaagpad blikjes sportdrank of verpakkingen zie liggen. Niet voor niets ben ik in een ver verleden bioloog geweest. Wie aan de natuur raakt, raakt aan mij. En moeten fietsers per definitie niet natuurliefhebbers zijn? Waarom gooien ze dan bermen en graskanten vol met hun troep? ‘Ik fiets proper’ is een pleonasme. Of zou het toch moeten zijn. Wie fietst, gaat in de natuur baden, maakt er haast deel van uit. Als een fietser al niet milieubewust is, wie dan wel?

Toch stel ik bij fietsers geregeld milieuwandaden vast waarvan mijn weinig nog overblijvende haren overeind gaan staan. In Hollebeke staat nabij knooppunt 47 een bankje waarop ik bij een fietstocht graag mijn boterhammetjes met omelet tot mij neem. Op een dag kwam er een collega-fietser naast mij zitten om ook zijn inwendige mens te versterken. Hij zag eruit als iemand wiens gemiddelde vijf kilometer per uur hoger ligt dan het mijne. Bij hem dan ook geen boterhammetjes met omelet, maar vooreerst een Megabar van Performance, gevolgd door een Crispy-reep. Woudvruchtensmaak, ik zie het nog voor me. De man plette de verpakkingen in zijn vuist tot een prop en mikte die over het jaagpad de berm in.

Mijn hartslag ging meteen met dertig slagen de hoogte in en mijn maag sloeg dicht. Ik ben geen held en begon de man dan ook niet te bedreigen met lichamelijk geweld zo hij zijn prop niet uit de berm plukte. Mijn wapen zit in mijn mond en wordt tong genoemd.

“Wat zou je ervan denken moest iemand uw tuin volgooien met proppen plastiek?”, zei ik, met mijn kin wijzend naar de overkant. “Hier woont toch niemand?”, antwoordde hij. “En bovendien, ik woon op een appartement.” Die zat.

“Weet je hoe lang het duurt voor dat plastiek is verteerd?”, zei ik. “Volgend jaar is dat weg”, zei hij. “Of is het weggewaaid.” Hij is niet alleen lomp maar dom op de koop toe, dacht ik.

Het is in zo’n omstandigheden goed dat ik geen bazooka of handgranaat of een ander redelijk intimiderend argument in mijn nabijheid heb waarmee ik mijn punt kan maken. Ik besliste er maar weer een bijbels verhaal van te maken en dus Jezus-gewijs het goede voorbeeld te geven. Ik kwam overeind, stapte naar de overkant en stopte ostentatief zijn prop in mijn achterzakje.

“Ik vind er wel ergens een vuilnisbak voor”, zei ik en maakte me uit de voeten. Want te oordelen aan zijn mimiek begon mijn gedrag als milieumissionaris hem duchtig op de zenuwen te werken. Toen ik vertrok dacht ik eraan hem nog iets venijnigs toe te roepen. Maar net op tijd besefte ik dat zijn gemiddelde minstens vijf kilometer per uur hoger moest liggen dan het mijne.

(Rik Vanwalleghem, Grinta! 13, 2009)