Deel dit artikel:

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp
Share on email

Lijderstrui

Hemelsblauw is hij. Met net iets te veel reclame maar dat neem ik erbij. In maatje XS. De leiderstrui van de VWF-tweedaagse van Bellingen zit strak rond mijn lijf. Een trui die mij en mij alleen toekomt. Gisteren won ik hier immers de individuele tijdrit. Een glooiende proloog van 7,9 km waar ik net geen negen en een halve minuut over deed. Vandaag is de wegrit. Ik voel een beetje trots wanneer ik me bij de start op de eerste rij posteer. Scoor ik hier deftig, dan win ik net als vorig jaar de tweedaagse. Met deze conditie moet dat lukken.

Na al het slopende en ‘trage’ fietswerk in de cols van de voorbije maanden en weken, is dit mijn eerste echte ‘speed race’ sedert september 2011. Ik vermoed dus dat ik eerst wat moet acclimatiseren. Toch loopt het lekker. Ik handhaaf me, net als vorig jaar, goed voorin. Een groepje van vijf scheidt zich na enkele ronden af. Maar ze zijn niet ver weg. Op de knik langs de kerk wip ik er straks zo naartoe. Moet kunnen, ik voel me goed. Ik ben niet van plan stofzuiger te spelen. Ik wil mijn leiderstrui glans geven en initiatief nemen. Koersen is, op zo’n momenten, het mooiste dat er is. 

Dan gebeurt het. Op een smalle, licht dalende weg, net voor het opdraaien van een betonweg die ‘vals plat’ omhoog loopt. Het gaat vrij hard. Door een manoeuvre van een voorligger – althans: dat denk ik – wijk ik enkele centimeters uit naar rechts. De greppel komt akelig dichtbij. Ik balanceer op het randje van de 10 cm diepe afgrond. Ik hou het niet. Mijn voorwiel gaat eerst en krijgt een klapband bij het raken van het grind en de puntige stenen. Ik ga erachteraan en val. Vol op de schouder. Vol op de heup. Vol op het dijbeen. Vol op de elleboog. Een smak. Shit.

Nog geen seconde na de klap besef ik dat ik middenin een pelotonnetje renners zit. Dus schuif ik instinctief naar de rechterzijde van de weg. Niemand van de collega’s crasht op of over mij (al zou er, zo meldde men mij achteraf, toch iemand over mijn arm zijn gefietst). En dan: schade opmeten. Ik zie bloed. Nogal wat bloed. Ik zie schaafwonden. Nogal wat schaafwonden. Ik zie een gescheurde leiderstrui, broek en handschoentjes. Ik tast naar mijn hoofd. Dat staat er nog op. Ik tast naar mijn schouder en sleutelbeen. Die zijn er nog. Toch is er ‘iets’ mee. De beelden van crashende renners uit de Tour flitsen door mijn hoofd en de manier waarop ze dan doorgaans hun arm hulpeloos ‘ondersteunen’. En dan het commentaar van Michel Wuyts: ‘Dat lijkt op een sleutelbeenbreuk.’ Moet ik mijn arm ondersteunen? Nee, ik kan ‘m nog bewegen. Oef. Maar het gaat niet van harte. Zware kneuzingen maar geen breuken, gis ik. Al ben ik geen dokter. 

Dan komt het besef: het is over and out. Zeker voor vandaag. Weg leiderstrui. Of hoe de leiderstrui in een fractie van een seconde een lijderstrui werd. Verdomme! Dit was niet het plan! Ik blijf nog wat versuft zitten. Ik neem mijn tijd. Een official stapt uit de wedstrijdwagen en helpt me weer op de been. Hij (bezorgd): “Gaat het?” Ik (stoer): “Absoluut.” Het is dezelfde man die me vòòr de wedstrijd nog met de glimlach had gezegd dat ik als leider op de eerste startrij moest staan. Nu ik rechtop sta, worstel ik met een nieuwe vraag. waar is mijn fiets? De zwarte Pinarello. De parel. Heeft hij de klap overleefd? Daar ligt ie. Een lekke voorband en wat schrammen aan stuur, pedaal en zadel. Blijkbaar heeft mijn lijf de klap integraal opgevangen en heb ik bij de val – zoals Kevin Costner zich smeet voor Whitney Houston in de finale van ‘The Bodyguard’ – mijn fiets met volle overtuiging ‘beschermd’.

Verder rijden zit er niet in. De ambulanciers lappen me, voor zover dat kan, op. “Er zit een gat in je elleboog, dat moet je laten hechten.” Ook dat nog. De fiets gaat mee in de bezemwagen en zie ik even later terug aan de finish. De koers is nog volop aan de gang. Ik tuur naar de voorbij razende coureurs. Daar had ik moeten bijzitten. De mensen staren me aan. En dan vooral mijn linkerzijde die bebloed, geschaafd en al gedeeltelijk ingepakt is. Opgewekt zijn, is nu even moeilijk. Zeker niet wanneer ik een zeer intelligente vraag krijg. “Ben je gevallen? Vandaag?” Néé, gisteren! Pipo! Ik strompel naar de wagen. De adrenaline houdt me recht en zorgt er voorlopig nog voor dat ik niet zoveel pijn voel. Dat wordt morgen wel anders. En overmorgen. En de dag nadien. En de volgende nachten. Een voltooide symfonie van branderige pijn en stijfheid.

Boys play soccer, men ride a bike. Een waarheid als een koe. Respect voor de renners die tijdens de eerste week van de Tour de France tegen de grond gaan en nog weken verder moeten. Johan Vansummeren reed de voorbije Tour uit met een gebarsten rugwervel. Slik. Mij rest nu enkel een cluster van vragen en twijfels. Wanneer kan ik weer op de fiets? Hoe snel herstel ik? Er is toch niets gebarsten of gebroken? Hoe snel gaat de ‘vorm’ in rook op? Geraak ik nog klaar voor de geplande wedstrijden waar ik mijn zinnen op heb gezet?   

Gerelateerde artikels