Deel dit artikel:

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp
Share on email

Jeannie Longo

Zaterdag 2 oktober, ’s morgens vroeg. Ik schiet voor de zesde keer die nacht mijn bed uit richting toilet. Buikgriep. Meestal zit ik in het zadel als ik me voel als een dweil. Nu dus ook op de wc-bril.

De fysieke, daarna auditieve en vervolgens olfactorische sensaties die me te beurt vallen leggen mijn gezicht in een duurkramp, normaliter mijn typerende fietsmimiek. Ik heb het gevoel dat ik mijn darmen kwijt ben. Ik ben inwendig aan het rotten.

Ik loop leeg, doe wat zelfs de koning moet doen na een grote boodschap (niet te verwarren met zijn boodschappen aan de bevolking) en kom recht. Op de badkamerklok is het kwart na vijf. Ik heb geen zin in een zevende etappe in bed, strompel de trap af en leg mijn lege lichaam neer op de sofa. Ik zap de tv aan, merk dat op Nederland 1 een wielerwedstrijd aan de gang is. ‘Live’, staat onder het 1-logo rechts bovenaan.

Welke zender zendt om 5.17 uur des morgens live een koers uit? Ik ben te slap om die vraag te beantwoorden. Helikopterbeelden tonen een zonovergoten landschap, zee, palmbomen. Dit moet een heruitzending zijn van het wereldkampioenschap voor beloften in Australië, denk ik.

Als de camera de staart van het peloton in beeld brengt, overvalt me een vreemd gevoel. Die amateurs zitten raar in het zadel, en sommigen hebben een achterwerk dat weinig trainingsarbeid verraadt.

De camera zwenkt naar achter, brengt een renner in beeld die tien meter achter het peloton hangt. Mijn koorstkop doet er zeker vijf seconden over om Jeannie Longo te herkennen. Longo! Ik voel me nog misselijker. Die te lage zit, dat vaalblauwe truitje, die witte benen.

Ik zit te kijken naar het WK voor vrouwen! Uiteraard heb ik niets tegen een vrouw op een koersfiets. Ik ben opportunist genoeg om ook in deze politiek correct te zijn. Maar kijken naar Longo doet pijn aan de ogen. Dat mens is met haar 51 jaar niet alleen de slechtste reclame die een sport zich kan inbeelden, ze weet ook niet wat koersen is. Longo is sinds de Franse Revolutie competitief maar kan nog steeds niet in groep rijden. Zie ze daar hangen en wind vangen, tien, twintig meter achter het peloton aan. Veel dwazer kan een mens niet fietsen. Iemand moet haar zeggen dat dit geen tijdrit is.

Moeiteloos en dankbaar gaan mijn ogen dicht, ik dommel weg. Ik word dwangmatig wakker als de rensters zich in de laatste rechte lijn bevinden. Niks te laat. Arndt en Cooke liggen lichtjes voorop, maar Marianne Vos zet aan de kop van een achtervolgend groepje van ver de sprint in. De Nederlandse is te vroeg vertrokken en wordt geremonteerd door Giorgia Bronzini, voor de esthetische uitstraling van het vrouwenwielrennen ook niet meteen een aanwinst. Op het podium likt ze aan haar gouden medaille. Ik ervaar geen erotische flits. Zal wel aan mijn buikloop liggen.

De jongste jaren zitten steeds meer vrouwen op de fiets. Ook ik merk dat. Er rijden me steeds meer vrouwen voorbij. Los van deze laatste vaststelling juich ik de opmars der tweewielige X-chromosomen toe. Al was het maar omdat ze zorgen voor meerverkoop in de CRVV-Rondeshop, afdeling Giordana en merkloze, getailleerde truitjes.

Maar toch blijft er iets wringen, letterlijk haast. Het is precies of een vrouw niet is gemaakt om op een koersfiets te zitten. Mijn vrouw, die zit mooi op haar Merckx. Daarom is zij ook mijn vrouw. Maar bij veel fiets/vrouw-combinaties klopt er iets niet. Die dikwijls vormloze benen met te weinig spieraflijning, dat gedrapeerde achterwerk, de manke verhoudingen. En vooral: vrouwen die koersen, dat komt zo geforceerd over.

Is mijn verdorven geest geconditioneerd? Ben ik in het stadium belandt van de oude krokodil en zijn belegen rollenmodel?

Bedenk wel, ik ben mezelf niet als ik dit schrijf. Ik heb de griep. Mijn geest is beneveld door koorts. En mijn dag is begonnen met een beeld op tv van Jeannie Longo. Daar wordt een mens wat pissig van.

Beloofd: als Longo stopt, laat ik al mijn vooroordelen tegen fietsende vrouwen varen. Ben ik zeker nog tien jaren gerust.

(Rik Vanwalleghem, Grinta! 22, 2010)