Deel dit artikel:

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp
Share on email

Ik fiets doper

Wat ik bijzonder leuk vind aan de professionele wielersport is dat er zoveel geslikt wordt. Het is te zeggen: dat er zoveel smoezen uitgevonden worden om het gebruik van doping te ontkennen. Dat levert een soort humor op waar zelfs een Geert Hoste in bloedvorm niet aan tippen kan. Zoals het daar recent weer in de krant stond: ‘Positief door aambeien’. Zo’n titel. Van een zeer geestige strekking. De uitspraak komt van de Spaanse coureur Rosendo Prado, voornaam Jésus, maar die hebben ze daar bijna allemaal. Zijn schommelende bloedwaarden zijn verdacht, vindt de UCI. In de pillendoos gezeten. Of aan de spuit. En dus moet Jésus aan het kruis. “Niks van”, weerlegt de renner. “De aanmaak van rode bloedcellen was fors gestegen door bloedingen aan mijn aambeien.” Zo ne goeie hebben wij nog niet gehad, had, had.

Geef toe, Freddy Devadders, Wim Helsens en Philippe Geubelkens van deze wereld. De ondraaglijke lichtheid van jullie beroep. Je hoeft niet eens comedian te zijn om het stand-up te doen. Sla er gewoon de berichten uit de wielerpagina’s op na. Je merkt, de werkelijkheid is vaak veel kleurrijker en vreemder dan wat je zelf uitvindt. Ik verzamel ze, die berichten. Verfijnde ironie, geveinsde domheid, slapstick, absurdisme, ik heb er al een hele map van vol. “Ik kreeg die EPO binnen via een vervuild voedingssupplement.” Of: “Al die flesjes lijken zo op elkaar.” En: “Het is van dat verdovende spuitje bij de tandarts…” Vreemd, maar toch verkondigd voor waar. De realiteit die de fantasie overtreft.

Welke uitvluchten kan een mens bedenken om een vervelende zaak van zich af te schudden, hoeveel moppen verzint een renner om ernstig te worden genomen? “Ik wou gewoon een beetje gewicht verliezen. Ik dacht dat het iets homeopatisch was.” Haha. “Die testosteron en corticoïden zijn voor mijn zieke schoonmoeder bestemd.” Ocharme dat schaap! “Ik had die producten in huis om me te documenteren. Ik wil over dat onderwerp namelijk een roman schrijven!” Allez, gij! Wie is er de cabaretier: Wouter Deprez, Gunter Lamoot en Bert Kruismans met hun fantasie? Of de werkelijkheid met zijn vreemde verschijnselen en coureurs?

“Ik had een vervelende kriebel in de keel en ik dacht: ik neem een slokje van de hoestsiroop van mijn kleine.” Zelfspot. “Die epo heb ik bij voor de weeskinderen van Rusland.” Ontroerend. “Het is de schuld van de apotheker uit de buurt die capsules met de aminozuren ornithine en arginine draaide op toestellen die uit vorige bereidingen met methadone waren bevuild.” Parodie. “Ik ben een uitzonderingsgeval met een natuurlijk hoge hematocrietwaarde en vanwege een onvolledigheid in de EPO-test gecombineerd met een slordigheid in het overbrengen van de stalen gaf dat een vals resultaat.” Practical joke. “Doping? Ik weet van niets…” Uitgestreken gelaatsuitdrukking à la Toon Hermans. Het publiek verwacht een grap maar er komt niets, waardoor het des te grappiger wordt.

Herinner u de song van Paul Simon: ‘Fifty ways to leave your lover’. (“Just drop off the key, Lee. And get yourself free!”) Zonder twijfel zijn er ook vijftig excuses om dopinggebruik te ontkennen. Dope, doper, dopest. Maar dan in omgekeerde zin. Ik heb er in mijn vreemdeberichtencollectie zelfs méér variaties op eenzelfde thema. “Logisch toch dat je voor medisch advies te rade gaat bij een veearts?”; “Mijn lichaam zet het toegelaten pseudo-efidrine om in verboden efedrinesporen…”; “Onder mijn oksel kwam plots dat met urine gevulde condoom tevoorschijn. Vanwaar? Dat is een mysterie.”; “Ik at van een konijn dat op haar beurt dingen had gegeten van verontreinigde grond.”

Met voorsprong de aller leukste smoes blijft uiteraard deze: “Ik heb die EPO en clenbuterol in huis voor mijn hond.” Het was dan ook algemeen bekend dat het atletische beestje regelmatig een slagerij leeg vrat en ooit de marathon van Boston liep. Gek trouwens dat je dergelijke humor zelden hoort in andere sporten. In tennis bijvoorbeeld, daar zit geen greintje humor in. Tennissers zijn droogstoppels. Ongetwijfeld is er daar niemand die slikt.

(Patrick Cornillie, Grinta! 20, 2010)