Deel dit artikel:

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp
Share on email

[‘Go-zer ‘Mo-zer]

De heroïek van een wielertocht is onbeschrijflijk mooi.

Flandrien worden was niet eens een kinderdroom, ik wilde voetballen. De liefde voor de fiets kwam pas later. De adoratie voor de helden van de koers nog later, toen ik het spel dat voetbal is, had ingeruild voor echte sport. Toen ik op zondagmiddag met loden benen op het veld stond, omdat ik me daags voordien coureur wilde voelen. Ik ging er meermaals in strijd met personen die door een toevallige samenloop in mijn buurt fietsten. Menigeen van die wielrenners, die zich in de verste verte niet bewust waren dat ze in een koers beland waren, heb ik achter mij gelaten. Op hellingen, kasseien, cols en jaagpaden. Ik werd een zelfverklaarde Flandrien van alle terreinen.

De Oberalppas, daar begon het. 2046 meter boven de zeespiegel gelegen en getooid in perfect asfalt. Zwitserland, weet je wel. Vanuit Andermatt geen onoverkomelijke col al doet zijn naam anders vermoeden. Oberalp, Alp der Alpen. Col der cols, zo lijkt het. Anno 2011, was daar het vertrekpunt van onze fietsreis doorheen twee landen. De naam van de trip, Zweiländerrundfahrt, deed zijn naam dan weer alle eer aan. Veel Zwitserland, en een weinig Italië met des te meer heroïek. En met Hans.

Hans is van het toegewijde type, gepassioneerd om mensen een goede fietsvakantie te laten beleven. Niet verlegen om een sterk verhaal. Zo gepassioneerd dat hij een reis met slechts twee deelnemers zag zitten. Zweimännerrundfahrt was dus even logisch geweest. Mijn ‘colpadre’ en ik, zoals we elkaar noemen, waren als enige ingeschreven en toch liet Hans de reis doorgaan. Hans was Nederlander en had zich gevestigd op de Oberalppas. Een thuismatch met twee Belgen zag hij wel zitten, en dus trokken we een ganse week samen op stap. Eén Nederlander in de bus, twee Belgen op de fiets. ‘Hier gaan jullie links af, jongens, en aan het volgende kruispunt sta ik gewoon weer.’. En dat een week lang. Het was een once-in-a-lifetime ervaring, de Koning te rijk op de fiets. Geen Garmin, geen gedoe met kaartjes, gewoon onze eigen bus. ‘Hier rechts afslaan jongens, begint de klim. Ik zie jullie zo, ik sta waar het steil wordt’, riep hij uit het raam. En weg was hij, een paar bochten verder. En als we boven kwamen, had hij de bus zo neergezet dat het bankje uit de wind stond. Picknick grijpklaar, bouillonsoepje lekker warm.

Op de vierde dag was er een rustdag in Livigno. In ons hotel logeerde ook de Dolfijn, Di Luca, maar die zag fietsen niet zitten die dag. Te slecht weer voorspeld. Aan ons werd de keuze geboden: een rondje Mortirolo-Gavia of ook geen klop uitsteken en taxfree shoppen. Geen keuze dus. Op de Mortirolo werden we lange tijd enkel nat van het zweet maar eens boven kwamen we in een zondvloed terecht. Eentje van de lange soort. En de Gavia wachtte nog op ons. De Lotto-ploeg en Ben Hermans werden gespot toen ze ons voorbijreden. Inpikken leek een overmoedig idee. Als zelfs dolfijnen binnen blijven wegens te veel regen, gaan Belgen toch trainen.

Er is natuurlijk de verleiding van instappen en over de berg rijden in de bus. Maar niet bij de Gavia, niet aan de voet van deze mythische berg vol heroïek in een busje stappen omdat het water giet. Nog liever vertrekken we als verzopen kiekens en met water in de schoenen op weg naar een 2500 meter hoog gelegen top die zich ergens in de wolken verschuilt. Van het uitzicht is niks te merken, de eerstvolgende 50 meter zijn onze volledige leefwereld. Foto’s kunnen we niet maken want het toestel kan zoveel water niet aan. Er is wind, veel wind. Koud ook. Als schakelen herleid wordt tot een beweging uit de elleboog, worden de beste herinneringen geboren.

We zijn creatief in een wanhopige zoektocht het leed te verzachten: dialect spreken, liedjes zingen met een restant aan adem, onnozel doen. Niemand die ons ziet want er is geen kat die zich de berg op waagt. Enkel Hans en twee koplampen die ons achtervolgen. De onverlichte tunnel naar het einde toe brengt de enige droge hectometers, de schijnwerpers achter ons brengen soelaas. ‘Hier heb ik op dezelfde manier nog achter Moser gereden, jongens. Goeie gozer, die Moser. Is me achteraf nog komen bedanken.’. De top brengt beschutting, een authentiek decor en een stoofvuur, warme chocolademelk. Apfelstrudel ook. En een onderkoelde Engelsman om de verhalen te delen. De man daalt mee af in het busje. Het is er vier graden.

Omgekeerd kan het ook: er bestaan soortgelijke verhalen over klappertandende afdalingen van Superbagnères en de Nufenenpas. Vertrokken in goed weer, onweer op de top en geen Hans in de buurt om naar beneden te stuiven… 

Afgelopen zomer was ik terug aan de Gavia, en reed ik er uiteraard terug over. Wat een fantastische berg zijn we vijf jaar eerder toch opgereden. Dat wordt zoveel jaren nadien zichtbaar onder een stralend zonnetje. Maar als ik later in mijn schommelstoel aan mijn kleinkinderen vertel over de beklimming van de Gavia, zal het ongetwijfeld over de regenversie gaan. Over kou, over licht in tunnels, en Moser. Die goeie Gozer.

Als je deze winter wakker wordt, naar buiten tuurt en twijfelt over al dan niet fietsen, denk aan de mogelijke heroïek van je tocht. Zelf draai ik me nog even om. Memorabele momenten als deze komen niet op bestelling.