Deel dit artikel:

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp
Share on email

Colpaerts veugle

Wuyts & Vannieuwkerke. Als die samen commentaar leveren is het kermis. Zij die een beetje gevoel hebben voor taal, wielerjargon en couleur cyclisme zullen snappen wat ik bedoel. Want met wat een genoegen gooit Karl Vannieuwkerke er tijdens zo’n live-uitzending plastische uitdrukkingen tussen: “’t Schaap is de preut af”. Of: “Hij rijdt met het hol wijd open.” Spreuken uit de vette weiden van Beerst en Stuivekenskerke. Taalkronkels die Michel Wuyts vaak overneemt. “’k Jeune mie vort!” Wuyts komt uit het Hageland en heeft het moeilijk met die West-Vlaamse tongval, maar hij doet zijn best. Zijn imitaties zijn leuk, ze charmeren, ze maken van televisie een taalfeest.

Ik kan mij voorstellen dat het niet altijd even makkelijk is, zo’n uitzending vol babbelen. Demarreren en counteren, stikkapot zitten of zich doorheen een dipje werken, ook tv-reporters beschikken maar over de 26 letters van ons alfabet om het uit te leggen. Elke inheemse variant op het thema is dan ook welkom. Zoals deze, bijvoorbeeld: “’t Is gelijk Colpaerts veugle…” Ik heb die van mijn grootmoeder. Ze bereikte de gezegende leeftijd van 95 jaar. Ze kwam uit een andere epoque, ze was voor ons en daarna alleszins ook voor haar achterkleinkinderen een soort heemkundige, een getuige van de levenswijze van die generatie, van het landelijke Vlaanderen van toen en van de taal die ze destijds hanteerden. Via haar verhalen probeerde je die tijd opnieuw in leven te roepen, want die hele manier van doen en spreken is weg.

Wat kennen wij trouwens nog van het Vlaams van voor de oorlog? Hoeveel snappen onze kinderen van de woordenschat van Briek Schotte? De taal van Briek was ook de taal van mijn grootmoeder, in al haar eenvoud en authenticiteit, doorspekt met volksfilosofische uitspraken. Vooral die ene uitdrukking van haar is me altijd bijgebleven. “’t Is gelijk Colpaerts veugle…” Nu en dan gebruik ik ze nog wel eens. En zeker in het wielrennen. Al vrees ik dat zelfs een volbloed West-Vlaming als Vannieuwkerke ze niet begrijpt. Het is namelijk een uitdrukking die men in geen enkel ander dorp dan het onze kent. Overigens weet ook niemand waar ze precies vandaan komt, die spreuk.

Het gebeurt wel vaker dat bekende personen gerecycleerd worden als bijvoeglijk naamwoord. Sommigen hebben het voor rubensiaanse vrouwen, anderen koesteren freudiaanse verlangens of vloeken op kafkaiaanse toestanden. Maar wie was die Colpaert en wat was er aan de hand met zijn vogel? Voluit gaat het trouwens als volgt: “’t Is gelijk Colpaerts veugle: je lag ool vièèrt’n doag’n ip de messienk en je kwam ’t er nóg deure!” Het wordt gezegd van iemand die op een miraculeuze manier geneest, van een coureur die na een zware inzinking op spectaculaire wijze weer op krachten komt.  

Ongetwijfeld zal die Colpaert een kleurrijke dorpsfiguur geweest zijn, die nooit om een overdrijving verlegen zat. En een ‘messienk’ staat voor een mesthoop, iets wat je alleen nog maar in Bokrijk op de binnenkoer van een boerderij ziet. De stalmest kwam erop terecht, maar ook allerlei organische afval, zelfs een dode vogel. Schijnbaar dood, want het mirakel was dat die van Colpaert veertien dagen later weer wegfladderde. Als een feniks uit zijn as herrezen.

Het is me dunkt een schoon gezegde en voor honderd procent bruikbaar als wielerjargon. Het is van toepassing op de renner die iets ontdekt waarvan hij voordien niet wist dat hij ze had. Limieten. Fysieke dan, want in zijn hoofd wil een coureur altijd maar door en door. Tot hij de man met de hamer tegenkomt, zichzelf het licht uitrijdt, ten dode opgeschreven op de spreekwoordelijke mesthoop belandt. Maar dan toch weer recht krasselt.

Wielrenners zijn de enige mensen op de wereld die dat kunnen: zeven keren sterven en dan nog doorfietsen. En dan heb ik het niet over de door de farmaceutische industrie overeind gekrikte coureurs, zoals Floyd Landis in de Tour van 2006. Wel over de uit wilgenhout gesneden exemplaren, schonkig en taai, type Briek Schotte. Mannen de zich nooit gewonnen geven, met een boerenwil, een koppigheid die zich zelfs niet laat knakken door een windhoos. Ze woekeren met hun krachten, ze sterven, maar ze staan altijd weer op, “gelijk Colpaerts veugle”…

(Patrick Cornillie, Grinta! 21, 2010)

 

 

 

 

Gerelateerde artikels