Deel dit artikel:

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp
Share on email

Beenhesp

Over de tristesse van doping in het granfondowereldje.

Ik herinner me de start van de 20ste editie van de Granfondo Sportful in Feltre. Het was 2014. Duizenden granfondisti stonden samengepakt in de miezerregen. De fotografen verdrumden zich om een kiekje te nemen van de mannen op de eerste rij. Onder hen ex-profrenner Paolo Bettini. De tweevoudige ex-wereldkampioen had toen al een stevig buikje. Meedingen voor de winst, met de grinta die hem als coureur zo eigen was, zat er niet meer in. Winst in deze prestigieuze granfondo kon enkel worden nagestreefd door de specialisten, de klasbakken van het cyclorijden. Eén naam deed bij de start in Feltre de ronde. Die van Roberto Cunico (zie foto 1), de winnaar van de 19de editie. De spichtige Italiaan had op dat moment het toppunt van zijn granfondoroem bereikt. Ik kende hem. Hij reed met hetzelfde schoeisel als ik. Ook hij was kind aan huis bij de Gazzola’s, de familie achter schoenenfabrikant Gaerne. Ik keek toch wel op naar Signore Cunico en dus zocht ik ‘m bij de start op. Voor een foto samen. Hij was bijzonder vriendelijk en we wisselden enkele woorden. De korte babbel sloten we af met een klad In bocca al lupo’s! en Crepi’s! en dat was het dan.

Roberto Cunico won de Granfondo Sportful 2014 niet maar reed wel topvijf na een harde koers. En ik? Ik had onderweg besloten om toch maar voor de mediofondo te gaan en de gevreesde Passo Manghen links te laten liggen. Ik kan nu eenmaal niet tegen koude en regen. En zeker niet tegen de combinatie van beide elementen. Dat heb ik dit voorjaar overigens nog eens met verve aangetoond toen ik met het schaamrood op de wangen in Spaans Baskenland nauwelijks een kilometer van La Bilbao-Bilbao fietste om dan terug te draaien richting mijn knusse hotel. Maar goed, terug naar Cunico die ondanks de gemiste zege wel de ereplaatsen en zeges bleef sprokkelen in de grootste granfondo’s. Hij deed wat moest gebeuren, wat in de sterren was geschreven en waartoe hij was voorbestemd: winnen. Mijn bewondering voor de man – toch een gewone mens die in zijn vrije tijd granfondo’s op wel heel hoog niveau reed – steeg almaar verder.

Toen deze zomer bekend raakte dat Cunico tegen de dopinglamp was gelopen, sloeg mijn bewondering om in verwondering en daarna in ontgoocheling. Shit zeg. Die kerel met wie ik op de foto had gestaan in Feltre had op 2 augustus, na de Granfondo Sestriere La Marmotte, positief getest op EPO. Die kerel die dezelfde schoenen draagt als ik. Wat zullen de Gazzola’s nu zeggen van hun ambassadeur en poulain? Ik wilde begrijpen waarom hij naar de naald had gegrepen. En door het te begrijpen zou ik er misschien ergens een heel klein beetje begrip voor kunnen opbrengen. Misschien, al kan je voor dopinggebruik bezwaarlijk begrip opbrengen natuurlijk. Eigenlijk mag je dat onder geen enkel beding doen. Maar je kan het wel trachten te begrijpen. Cunico wilde roem, wilde scoren, wilde Il Re zijn, de koning der granfondisti. De koning is niet meer. Hij heeft zelf zijn troon omver gekanteld. Het blazoen is besmeurd. Voor altijd. Perchè, Roberto? Het gaat in godsnaam over granfondo’s! Over fietstochten die ergens tussen amateurkoersen en toertochten in liggen. Evenementen waar iedereen kan aan deelnemen mits het dragen van een chip, enkelband of kaderplaatje. Granfondo’s zijn de ideale mix tussen fietsfun en dat vleugje competitie. Waarom de boel bedotten? Zelfs daar?

Het is intriest. En wat nog betreurenswaardiger is: Roberto Cunico is (uiteraard) niet de enige. Er zijn er hem velen voorgegaan en er zullen er hem nog – helaas – volgen. Ik herinner me de naam van Emanuele Negrini, meervoudig winnaar van de Dolomietenmarathon. Ook hij piste naast de pot. Ik herinner me Emanuel Nösig (zie foto 2), een Oostenrijker die met zijn maatje in 2013 tweede werd in de Transalp. Een beer van een vent. “Ongelofelijk welke wattages die moet trappen”, dachten we toen nog. Op 14 september 2014 testte Nösig positief op een anabole steroïde. Of hij zich in de Transalp gedopeerd heeft, wil ik niet hebben gezegd. Maar die bolle kaakjes en zijn manier van fietsen beloofden toen al niet veel goeds.

Nog een naam die aan dit bedenkelijke lijstje mag worden toegevoegd, is die van de Colombiaan Oscar Tovar (zie foto 3), de winnaar van de Gran Fondo New York 2015. Tovar werd, na een controle van het USADA (het Amerikaanse Antidopingagentschap, nvdr.) betrapt op het gebruik van testosteron. En de testosteron in Tovars lijf bleek niet lichaamseigen te zijn. Tovar was ook voor de race getest geweest en dat staal was negatief. Bij de dames werd Tovars landgenote, de Colombiaanse Yamilo Lugo, derde in de race, ook uit de uitslag geschrapt. In haar bloedwaarden werd een aanwezigheid van een steroïde van exogene oorsprong gedetecteerd, mogelijk veroorzaakt door het gebruik van testosteron of een andere anabole substantie. De Granfondo New York was in het verleden ook al het toneel van dopinggebruik: in 2012 testten de Amerikaan David Anthony en de Italiaan Gabriele Guarini positief op EPO. De organisatie liet al verstaan dat ze zich zal blijven inzetten voor de strijd tegen doping. Ook tegen de mechanische doping by the way. In een persbericht gaf de organisatie al te kennen dat in de 2016-editie meer controles zullen gebeuren op de aanwezigheid van een motortje in de fietsen van de deelnemers.

Intriest allemaal. Hoe is het allemaal zover kunnen komen? De sportwereld zal altijd zijn bedriegers hebben. De wielersport ook. Alleen is het heel confronterend wanneer doping zo dichtbij komt, in tochten waar jij als wielertoerist ook aan deelneemt en in semi-wedstrijden waar hooguit een set wielen of een beenhesp te verdienen is.

 

  • roberto-cunico.jpg
  • emanuel-nosig.jpg
  • oscar-tovar.jpg</li

Gerelateerde artikels