Deel dit artikel:

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp
Share on email

Auberge de l’Impossible

Ik ben blij dat ik deze blog nu pas heb geschreven en niet op zondagavond 12 juni. Ik ben blij dat ik toch zò slim ben geweest. Want zo heb ik gezichtsverlies vermeden. Ik verklaar me nader. Op zondagavond 12 juni arriveer ik in Briançon. Ik met de fiets. Fotograaf Stephan met de wagen. De hele dag zijn we op zwier geweest en hebben we hard ‘gewerkt’. Ik op de fiets, hij met z’n camera. Het is al betrekkelijk laat. Negen uur of zo. Waar is het hotel? Slechts één vraag spookt door mijn hoofd: is de keuken nog open? Ik besterf het van de honger. We stranden in Auberge de l’Impossible, een hotelletje dat ons is aangeprezen door de toeristische dienst van Briançon. Niet chique. Gewoon. Basic. Een goed bed, een douche, een lekker maal: meer hebben we nu niet nodig. Leuke verrassing: de teamwagen van het BMC Racing Team staat op de kleine ‘parking’ van de auberge. “Wie heeft u te gast?”, vraag ik aan de wat verwijfde hoteluitbater. Die haalt de schouders op. “Een paar coureurs. Geen flauw idee wie ze zijn. Ik weet alleen dat ze veel eten. En véél wijn drinken.”

 
Een half uur later. Ik strompel het restaurant binnen – de koude afdaling van de Izoard hangt duidelijk nog in de benen. Er is geen kat. Alle tafels zijn leeg. Of toch niet. Aan een tafel, achter een pilaar, zitten drie mannen. Dat zijn ze dan: de BMC’ers. Een verzorger en twee renners. De ene is Ivan Santaromita. De andere Cadel Evans. Logisch. De Dauphiné Libéré is net voorbij en Evans maakt natuurlijk van de gelegenheid gebruik om meteen enkele Alpenetappes van de Tour de France te verkennen. Zijn uitvalsbasis is Briançon en de ‘Auberge van het Onmogelijke’. Ook logisch. De sleuteletappes van de Tour 2011 spelen zich hier af. Izoard, Sestrière, Pra Martino, Galibier, Alpe d’Huez: het ligt hier allemaal op een zakdoek. Maar: had de mevrouw of meneer die bij BMC de hotels reserveert, geen andere auberge kunnen boeken? Eentje met een naam die prettiger vooruitzichten – een lang nagejaagde Tourzege bijvoorbeeld – belooft? 

Stephan en ik zoeken onze tafel op. We knikken vriendelijk richting de BMC-tafel. Er wordt teruggeknikt. Ik ken Cadel. En Cadel zou mij eigenlijk ook moeten (her)kennen. Ik heb echter al snel door dat hij me niet meer herinnert. Mijn grote Evans-reportage dateert natuurlijk al van 2008. Zo’n verpletterende indruk heb ik toen blijkbaar niet op ‘m gemaakt. Ach, ik had toen nog wat meer babyvet en had ook nog geen Roy Orbison-bril op de neus staan. Het kan ook daaraan liggen. Hij heeft nu allicht geen flauw benul dat ik een journalist ben. Ik kies er bewust voor om mezelf niet kenbaar te maken. Vanavond ben ik een toerist die niets van de koers kent, die nauwelijks weet dat er twee wielen in een fiets passen, laat staan die weet wie Cadel Evans is. Deze avond ga ik undercover. Ik hou het gezelschap vanuit mijn ooghoeken in de gaten en probeer de gesprekken te volgen. Niet netjes misschien. Maar wel spannend.

 
De sfeer aan de BMC-tafel is in elk geval goed, dat merk ik meteen. ‘Goed’ is eigenlijk een understatement. De sfeer is ‘voortreffelijk’. De wijn vloeit rijkelijk. Nee, het is geen orgie en niemand is beschonken. Zover gaat het niet. Maar iedereen is losjes en funny. De voertaal is Italiaans. Er wordt getetterd en getaterd. Ook Evans, zich geenszins bewust dat op enkele meters van hem een geniepige wielerjournalist zit te luistervinken, laat zich niet onbetuigd. Wanneer Santaromita ook nog de chocolademousse bestelt, ligt hij in een deuk. Cadel Evans en de slappe lach: jazeker, die combinatie bestaat. En ik was getuige. Ik ben aangenaam verrast. Dit is een totààl andere Cadel Evans dan deze die ik in mei 2008 in Sierra Nevada aantrof. Samen met fotograaf Marco kon ik er toen een exclusieve reportage inblikken: ‘Met Evans op hoogtestage in Sierra Nevada’. Althans: dat was me toen vooraf verzekerd door de ploegleiding van Silence-Lotto die het interview al maanden had geregeld. Daar ging ik althans van uit. In Sierra Nevada was Cadel Evans, toen kopman van de Belgische formatie, de Tour de France 2008 aan het voorbereiden. Als een Pietje Precies. Het heeft toen echter geen haar gescheeld of we konden opkrassen. Daar Cadel niet (!) op de hoogte bleek van de komst van een duo journalisten, reageerde hij heel korzelig. Hij was ons liever kwijt dan rijk en dat mochten we ervaren. “I don’t give interviews. I’m here to win the Tour!”, snauwde hij. Wat hij er niet bij zei maar er allicht wel bij dacht waren de gevleugelde woorden ‘Fuck Off!’. En daarna smakte de deur van zijn hotelkamer dicht. Ik word niet snel nerveus maar toen was er toch even paniek. Dan denk je dat het interview al twee maanden is geregeld en dan krijg je op het moment van de waarheid (haast letterlijk) de deur tegen je snuit. Stel je voor: géén interview! Ga dan eens naar Spanje… Dan maar naar de refter van het trainingscomplex, een hapje eten. Hopend dat Cadel alsnog zou bijdraaien.
   

David Bombeke, Cadels osteopaat en vertrouwensman, was ook in Sierra Nevada. Hij was toen getuige van het pijnlijke tafereel. “Ik zal zien wat ik kan doen”, vertrouwt hij me nog toe. Fingers crossed. En dus zou David op zijn grillige poulain inpraten. Een uurtje later flaneert ook Cadel Evans de refter binnen. Ik heb net mijn toetje op wanneer Cadel me op de schouder tikt. “Let’s do the interview after dinner, okay?” Ik licht op. “Euh… Okay! Great!” Het onmogelijke is gebeurd: Cadel heeft een bocht van 180 graden gemaakt. En plots kan alles. Interviews met een rist vervelende vragen, fotosessies, … De volgende dag kunnen we Evans zelfs een hele dag volgen op training. Meer nog, hij gaat voor de foto zelfs nog even eigenhandig sneeuw ruimen opdat de volgwagen van Silence-Lotto uit het ondergesneeuwde Spaanse trainingsoord kan vertrekken. Eén ding doet hij die dag niet: poseren met een gele trui om de lenden. “Ik wil ‘m wel over de schouder hangen maar ik trek ‘m niet aan.” Ik vond dat toen al een gebaar dat ‘m sierde. Le maillot jaune is een kleinood waar niet lichtzinnig mee mag worden omgesprongen: die moet je verdienen, daar moet je voor knokken. Evans snapt dat. 
   

Terug naar 12 juni 2011, in Auberge de l’Impossible. De hotelbaas komt aandraven met een fles grappa en drie kleine glaasjes. Alweer gebulder bij de coureurs. Eerst lijken ze te weigeren maar dan happen ze toch toe. Het kan vanavond blijkbaar. Evans is net tweede geworden in de eindstand van de Dauphiné Libéré. Is dit decompressie? Evans die decompresseert? Ongelofelijk. Nooit gedacht. De man zit duidelijk lekker in zijn vel. Hij is niet gecrispeerd, niet gestresseerd, hij is niet (meer) de stugge zonderling van enkele jaren geleden voor wie velen ‘m nog altijd verslijten. Tuurlijk blijft hij een vent uit ‘The Outback’, een term die Down Under gehanteerd wordt voor regio’s die ver van de bewoonde wereld verwijderd liggen. Zo zal Cadel altijd wel een beetje blijven: een rare kwiet, wat grillig, soms weg van de wereld en opvliegend (“Don’t step on my dog!”), … Kortom: speciaal. Maar zo’n figuren kleuren het wielrennen. Toch? Of niet? Ook dàt heeft Evans niet mee. Al jaren wordt hij afgestempeld als wieltjeszuiger, als krampachtig en passief volger. Ook al een perceptie die wat mag worden bijgestuurd. De voorbije jaren heeft hij meermaals het tegendeel bewezen. Evans is een werker, een knokker. Hij kan aanvallen, grinta tonen én – niet onbelangrijk – winnen. Denk aan Mendrisio 2009. De regenboogtrui was de déclic die hij nodig had.

Wanneer de BMC’ers van de grappa hebben genipt en hun kamer opzoeken, blijven Stephan en ik achter in het restaurant. “Wat denk je? Kan Cadel de Tour nog winnen?”, vraagt Stephan me. Ik antwoord niet meteen. Ik twijfel en maak me er uiteindelijk gemakkelijk van af. Ik geef een antwoord dat iedereen die een klein beetje van koers kent, zou geven. “Met een Contador en Andy Schleck op volle kracht zou je zeggen: nee, onmogelijk. Maar een Tour de France is lang. Er kan vanalles gebeuren in die drie weken. Een koers moet altijd worden gereden.” En ik heb gelijk gekregen. Er ìs vanalles gebeurd in deze Tour. Ik ben blij dat ik toen weigerde Cadel af te schrijven. En dat ik toen een blog weigerde te schrijven over mijn ontmoeting met Cadel Evans in Briançon in Auberge de l’Impossible (of all places). Niets is immers onmogelijk. Ook niet het geel voor Cadel Evans.

 
Maandag 13 juni 2011. “Wie waren die renners nu?”, vraagt de aubergier me bij het uitchecken. “Cadel Evans is één van hen”, antwoord ik. “Hij is één van de favorieten voor de komende Tour.” De man fronst het voorhoofd. “Serieus? Nooit van gehoord.” We zijn zaterdag 23 juli 2011, anderhalve maand later. Wedden dat hij ‘m nu wél kent?   

 

 

Gerelateerde artikels