Deel dit artikel:

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp
Share on email

Parijs-Roubaix

Parijs-Roubaix, voor het eerst ingericht in 1896, wordt niet voor niets 'De Hel van het noorden' genoemd. De ruwe kasseiwegen die het DNA vandeze klassieker bepalen, zijn geen spek voor ieders bek. 'Op het randje', noemen sommigen Parijs-Roubaix. Maar net dat geeft aan deze klassieker dat scherpe en heroïsche kantje. Wie het metier van het kasseien vreten niet beheerst, heeft er niets te zoeken. Wie daarentegen deze klassieker op z'n naam schrijft en een kassei op de schouw mag zetten, katapulteert zich eensklaps van de hel naar de hemel.

Er staat een slagboom bij de poort van de hel. Een lullig groen met wit balkje, meer is het niet. En je kunt er zo omheen fietsen als je dat wil. Maar dat doe ik niet. Ik stop. Het is niet de slagboom die me bang maakt. Het is wat erachter ligt. De kasseien liggen zo ver ik kan kijken. Eén rechte strook is het, met schots en scheve stenen. Links bomen, rechts bomen. De takken hangen over de kasseien. Het is midden op de dag, maar in de groene tunnel is het donker. Dit is het dus: het Bos van Wallers. Al toen ik klein was, liepen de rillingen over mijn rug wanneer ik renners op tv door Het Bos zag zwoegen. Ze vielen om de honderd meter, ze braken er hun fietsen en hun botten, en soms verdween er eentje in het decor. Ik heb wel eens gehoord dat ze nog steeds naar sommige renners van Euskaltel zoeken. Niemand weet of ze zijn verdwenen tussen de gapende ravijnen tussen de stenen, of dat ze zijn verorberd door de beesten van Het Bos.

Gebonk, gepiep en gekraak

Ik denk aan vanmorgen, aan de start in Compiègne, aan de pleinen, aan de fonteinen, aan de terrassen vol Parisiennes die met roodgelakte nagels hun croissant in hun café au lait doopten, aan de lommerrijke lanen die me uit de stad voerden, aan de saaie rechte wegen die erna kwamen, aan de eerste kasseistrook die ik niet eens voelde, aan de eerste honderdvijftig kilometer. Maar Parijs-Roubaix is een wedstrijd in twee delen: de eerste honderdvijftig en de laatste honderd. Vóór Het Bos, en erna. Met tegenzin passeer ik de slagboom. Zodra mijn voorwiel de eerste kasseien raakt, voel ik dat dit andere koek is dan alles wat ik hiervoor gehad heb. Ik rij niet over de stenen, de stenen rijden over mij. Alles bonkt en piept en kraakt. Mijn fiets, mijn knieën, mijn longen. Ik probeer de gang erin te houden maar dat lukt slecht. De stenen liggen té slecht. “Ze zijn er door de Romeinen uit een helikopter gesmeten”, zou Gerrie Knetemann zeggen. Ik zie het einde van de tunnel in de verte maar de verte komt niet dichterbij. Na tweeënhalve kilometer hotsen en klotsen door Het Bos voel ik mijn vingers niet meer. Ik moet naar mijn stuur kijken om te weten dat ik het vasthoud. Als ik uit de groene tunnel rij, denk ik aan de jongen van een kleine Franse ploeg die hier een paar jaar geleden zijn fiets tegen de dranghekken parkeerde en op de grond ging zitten janken. Precies voor mijn neus en die van mijn vriendin, die voor het eerst bij een wielerkoers kwam kijken. De jongen beefde als een rietje en kreunde van de pijn. Mijn vriendin keek ernaar met tranen in haar ogen en vroeg zich af wat al die renners zichzelf aandeden. Na die ene keer is ze nooit meer mee geweest.

Koeien zonder boer

Na Het Bos is er asfalt. Maar lang duurt dat feest niet. Vanaf hier houdt het eigenlijk niet meer op. Voor iedere kilometer asfalt moet je er ongeveer ook eentje over kasseien dokkeren. Ik weet niet wat het is met dit deel van Frankrijk maar het is alsof er niemand woont. Ik kom nauwelijks auto’s tegen; over de spoorbaan die nooit ver weg is, rijden geen treinen; de winkels in de dorpen zijn zonder uitzondering gesloten. Ik rij langs velden waar niets groeit, langs koeien zonder boer, langs fabrieken met schoorstenen waaruit slechts een klein wolkje bruingele rook kringelt. Ik hobbel op strook 17 langs Pont Gibus, een brug die ooit een brug was maar nu alleen nog maar twee stenen muurtjes naast een kasseistrook. Heel soms kom ik een bijna vergaan geel bordje met een pijl erop tegen, of een naam (Boonen, meestal) die op het asfalt is gekalkt, of een monumentje ter ere van de zoveelste kasseistrook. Het zijn de stille getuigen van die Ene Zondag dat er hier wél wat gebeurt. De kasseien en de afstand slopen me. Op iedere strook ga ik langzamer dan die ervoor. Hoeveel Marsen en colaatjes ik er ook in gooi: hier is niet tegenaan te eten. De klappen van de stenen komen steeds harder aan. Na de kasseien van Mons-en-Pévèle, een vijfsterrenstrook die door een verlaten weiland heen slingert, voel ik iets op mijn kont ontstaan dat angstaanjagend veel op een derde bal lijkt.


Natte stenen

De stroken hebben nummers en namen, maar ik verlies de tel en ik weet niet meer waar ik ben. De dorpjes lijken allemaal op elkaar. Pas bij Cysoing herken ik het parcours weer, als ik de langs de verkeersheuvel rij waar Andrei Tchmil ooit overheen sprong terwijl hij op de hielen werd gezeten door Johan Museeuw (die in die Parijs-Roubaix op een damesfiets reed). Bij Wannehain, op een kilometer of vijfentwintig voor Roubaix, wordt de lucht langzaam donkergrijs. Er valt een drupje. Nog één. En dan begint het zachtjes te regenen. Als ik bij het Carrefour de l’Arbre aankom, zijn de stenen nat. Dat kon er ook nog wel bij. Het Carrefour is droog al een strook om duizend keer te sterven. Die klotekeien liggen er zó schots en scheef dat ze moeten zijn aangelegd door een sadistische (of een blinde) stratenmaker. Ter illustratie: toen ik hier van het voorjaar fietste, reed ik binnen tweehonderd meter mijn voor- én achterband lek. Het eerste stukje van het Carrefour smokkel ik – langs de kasseien loopt een klein paadje door het gras. Maar als dat ophoudt in een grote plas is er geen andere keuze meer: ik moet de stenen op. Ik glibber door een bocht naar links. Ik stuiter van steen naar steen. De snelheid is laag, mijn moreel nog lager. Alles doet me zeer. Mijn handen, mijn vingers, mijn rug, dat kloteding op mijn kont. Het is me een raadsel hoe die echte renners nog zó hard over deze strook kunnen rijden in de finale van de koers. Wat ik doe is niet fietsen, het is strompelen op twee wielen.

Vélodrome

In Hem kom ik langs de plek waar Hennie Kuiper ooit met zijn wiel in de lucht stond te zwaaien en even later langs de bocht waar Niki Terpstra zijn aanval plaatste. Zes kilometer is het vandaar naar de finish: het ene knikje dat licht oploopt, voelt als de beklimming van de Ventoux. Het mooie van wielrennen is dat aan iedere vorm van lijden ook een einde komt. Of het nu in het ziekenhuis of bij de finish is: er is altijd een moment dat je niet langer op de pedalen meer hoeft te duwen. Het einde van de hel ligt in Roubaix, stad van grijze fabrieken, grijze huizen en grijze mensen. En van de Vélodrome. Ooit, in een ver verleden, toen ik zelf nog koerste, kreeg ik een aanbieding van een ploegje uit Roubaix. Ze hadden ook al woonruimte voor me op het oog: in de kelder van die Vélodrome, samen met een stel Wit-Russen. Ik heb er niet één seconde over na hoeven denken. Wonen in een vervallen gebouw in de lelijkste stad van Frankrijk: non, merci. Maar vandaag ben ik zielsblij als ik de Vélodrome opdraai. De laatste anderhalve ronde fiets ik in de stromende regen. Onder de overkapping op de tribune zitten lokale hangjongeren die me uitlachen. Het kan me geen zak schelen. Het zit erop. Ik heb 256 kilometer en 28 kasseistroken overleefd. Zonder mezelf kwijt te raken tussen de stenen. Zonder te vallen. En zelfs zonder lek te rijden. Al had ik dat laatste beter niet kunnen denken: op het moment dat ik het stoepje naar de befaamde douches opwip, raakt de velg van mijn achterwiel de rand van de stenen. Met een sissende achterband rol ik naar de deur van de douches. Ik stap af en klikkerdeklik met mijn fietsschoentjes over de tegels waarover duizenden renners liepen nadat ze uit de hel waren teruggekeerd. In een van de weinige hokjes waar géén gouden naamplaatje ter ere van een winnaar tegen het steen is geplakt, ga ik zitten. Mijn fiets staat naast me. De achterband is inmiddels net zo leeg als ik.


– FLASHBACK –

1949: twee winnaars
Met z’n drieën zouden ze gaan uitmaken wie er zou gaan winnen. De Fransman André Mahé, de Belg Frans Leenen en de Spanjaard Jesus Mujica, een soort Juan-Antonio Flecha avant la lettre. Maar vlak voor het opdraaien van de wielerbaan van Roubaix werden ze verkeerd gestuurd. In plaats van óp de Vélodrome, belandden ze ín de Vélodrome: hun vlucht eindigde in de kleedkamers. Serse Coppi (jep, de broer van) won de sprint van het achtervolgend groepje, André Mahé klauterde het snelste met fiets en al over de tribunes en de boarding. Ze werden samen tot winnaar uitgeroepen.

1975: de kick van De Vlaeminck
De adelbrieven die Roger De Vlaeminck in Parijs-Roubaix kan voorleggen, zijn niet te tellen. De Oost-Vlaming won de klassieker vier keer. De derde keer is de mooiste keer, toen hij… Eddy Merckx op de velodroom van Roubaix vloerde. In een zinderende finale was Merckx lek gereden maar teruggekomen op het koptrio met De Vlaeminck, André Dierickx en – uitblinker van de dag – Marc Demeyer. Merckx liet er geen gras over groeien en trachtte het drietal te verrassen maar dat was buiten De Vlaeminck gerekend die Merckx’ aanval goed wist op te vangen. Op de piste toont De Vlaeminck dan de snelste. “Elke keer ik Eddy kon verslaan, is een hoogtepunt uit mijn loopbaan geweest”, dixit De Vlaeminck.

1981: de wraak van de wereldkampioen
In 1980 was Bernard Hinault vierde geworden in Parijs-Roubaix. De Bretoen houdt niet van de wedstrijd maar is het aan zijn stand verplicht om terug te komen en te winnen. Dat doet hij ook in 1981, als wereldkampioen. Ondanks valpartijen, materiaalpech en een loslopende hond in de finale, weet een ziedende Hinault zijn vijf medevluchters (met onder andere Roger De Vlaeminck en Francesco Moser) op de velodroom van Roubaix in de sprint te vloeren. Na zijn overwinning spreekt Hinault de legendarische woorden: “Ik heb vandaag gewonnen maar niemand kan me mijn mening over deze wedstrijd doen herzien: het deze koers een mooie onnozelheid.” Hinault zou nooit meer aan de start verschijnen.

1993: de nachtmerrie van Ballerini
Franco Ballerini wist het zeker. Hij had Parijs-Roubaix gewonnen, de koers waarvan hij als klein jongetje al droomde. Met de armen in de lucht reed hij een ererondje over de wielerbaan. Godskolere, wat was hij sterk geweest vandaag. Iedereen had hij uit het wiel gereden. Nou ja, behalve die ene oude Fransoos dan: Gilbert Duclos-Lasalle. Maar dat fossiel versloeg hij in een sprint-à-deux op de piste. Het verschil was miniem, maar Ballerini wist genoeg. Hij had gewonnen. Minutenlang verkeerde hij in de waan dat dit de gelukkigste dag van zijn leven was, totdat de jury de finishfoto had bestudeerd en Duclos-Lasalle tot winnaar uitriep. Ballerini was ontroostbaar.