Deel dit artikel:

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp
Share on email

Amstel Gold Race

Velen weigeren om de Amstel Gold Race het predikaat 'klassieker' mee te geven. Omdat de wedstrijd pas voor het eerst in 1966 werd georganiseerd. En toch. Bekijk de erelijst en je beseft dat er geen enkele renner is die niet in hetzelfde lijstje van Merckx, Raas, Hinault, Museeuw en Gilbert wil staan. De Amstel Gold Race is misschien wel de meest nerveuze wielerklassieker van allemaal. En dat komt niet in het minst door het labyrint van straatjes, steegjes en bultjes dat Nederlands Limburg, het decor van de Amstel Gold Race, is.

Het plan is simpel. Ik ga ze tellen, alle bochten, alle verkeersheuvels, alle rotondes en alle klimmetjes van de Amstel Gold Race. Gewoon turven, in mijn hoofd, tijdens het fietsen. Hoe moeilijk kan het zijn? Na tien kilometer ben ik de tel kwijt.
Tweehonderdéénenvijftig kilometer lang is de Gold Race, maar het noordelijkste puntje van de route ligt amper dertig kilometer van het meest zuidelijke puntje. Het is draaien en keren op een postzegel. Als je een beetje centraal woont kun je vanuit je dakraam de hele koers volgen op die ene zondag in april. Links, rechts, op, af, ondersteboven, achterstevoren, binnenstebuiten. Euskaltel-renner Alan Perez legde ooit na afloop eens in één zin uit hoe de wedstrijd voelt vanuit het binnenste van een peloton: “Ken je dat gevoel als je uit de achtbaan stapt?”
Wij Nederlanders hebben welgeteld twee stukjes land die niet zo plat zijn als een pannenkoek. Het ene stukje ligt in de buurt van Arnhem, het andere in Zuid-Limburg. Het zijn misschien maar een stel pukkeltjes waar ze in andere landen hard om moeten lachen, maar het zijn wel ónze pukkeltjes. En als je maar vaak genoeg draait en keert, kun je ook in Zuid-Limburg een klassieker organiseren. Ook al weten wij ook wel dat de helft van het profpeloton een grafhekel heeft aan al die bochten, al die rotondes, al die verkeersheuvels, al die paaltjes en al die op het parcours geparkeerde auto’s.

Loempia’s en karbonades

De start is in Maastricht, op de Grote Markt. Op die ene zondag in april staat het vol met renners, toeschouwers en ploegleiderswagens. Vandaag staan er loempiawagentjes, rijdende bakkers, haringkarren en kraampjes met groente en fruit (drie meloenen voor de prijs van twee). Op de plek waar de speaker de renners op het podium aankondigt (“Daar is-ie beste mensen, de caaaaaasaaaanoooooovaaaaa van het pelotoooooon, de man met de mooie krrrrrrrrrrrrrrrullen, Thóóóóómassssssss Dekkerrrrrrrrrrrrrrr!!!”) roept nu een man met een schort voor dat de karbonades in de aanbieding zijn.
Met de handjes op het stuur rij ik de stad door. Over de keitjes van de Markt, de brug over, richting het noorden. In de eerste van de vier lussen door Limburg kom ik bejaarde opaatjes en omaatjes tegen, op fietsen met boodschappentassen aan de bagagedrager. Het zegt veel over het eerste deel van het parcours: landschap dat lichtjes glooit en geen noemenswaardige klimmetjes. Een voorgerechtje is het, een hapje waarmee je je honger nauwelijks mee kunt stillen. Pas aan het einde van de eerste lus wordt het serieus, op de Cauberg. Maar ook al is het meest bekende klimmetje van Nederland: hij telt in deze fase nog niet echt mee. Want de Cauberg komt later in de race nog drie keer terug.

Richting Ardennen

Lus twee is een stuk mooier. En uitdagender. Hij voert naar het zuidelijkste puntje van Nederland, richting de Ardennen. Richting Mheer en Noorbeek, Gulpen en het Drielandenpunt.
Ik heb hier in een vorig leven honderden trainingen en wedstrijden afgewerkt. Sterker nog: ik reed er mijn eerste officiële wedstrijdje. In Schweiberg. Een stuk of dertig keer de klim op en af in de regen. Twintigste werd ik. De envelop waar de premie (12 gulden 50) in zat, heb ik nog steeds.
Mijn persoonlijke favoriet is de Camerig, na honderd kilometer koers. Een kleine drieënhalve kilometer lang met een gemiddeld stijgingspercentage van vier procent. Het is een van de weinige – misschien wel de enige – beklimmingen in Nederland die het predikaat ‘klim’ verdient. Het is meer dan een pukkeltje, meer dan een kort en steil heuveltje. Op de Camerig waan je je, ook al is het maar voor heel even, in een gebergte hier ver vandaan. Het eerste stuk voert door weilanden waar koeien scheef staan te grazen. Bij een restaurantje kun je kiezen: rechtdoor of linksaf. Als ik het zelf zou mogen zeggen zou ik hier naar links afslaan, het bos in. Daar kom je namelijk haarspelden tegen. Haarspelden in Nederland: dat klinkt als Jamaicaanse bobsleeërs of pinguïns in de woestijn, maar het is echt waar. Niet voor niets is de Camerig een paar jaar geleden verkozen tot Mooiste Klim Van Nederland. De koers gaat hier echter rechtdoor, om het bos heen. Bijna net zo lastig, maar geen haarspelden.

Steil en smal

Vanaf de Camerig schiet de koers meestal in een versnelling hoger. Wie nog niet gestrest was, die wordt het hier wel. Na de Camerig volgt een lang en dalend stuk, bezaaid met verkeersheuvels. En wat het nog erger maakt: de klimmetjes die eraan komen zijn vrijwel zonder uitzondering steil en smal. Zoals de Gulpenerberg: een streepje asfalt dat recht door een akker tegen een heuvel oploopt. De Paterberg, maar dan zonder steentjes. Op de weg omhoog word ik ingehaald door een toeterende auto. De man achter het stuur steekt zijn middelvinger naar me op. De lokale bevolking schijnt er een beetje klaar mee te zijn, met al die fietsers in de streek. Want ze slingeren zo. En ze rijden op de weg (schande!). Nieuwe toertochten mogen er daarom al niet meer worden georganiseerd.
Na de Gulpenerberg volgen de pukkels elkaar op als acne op een pubergezicht. De Kruisberg. De Trintelerberg. De Hulsberg. De Vrakelberg. De Sibbegrubbe. En opnieuw de Cauberg. Maar daarover later meer. Het is raar wat de opeenvolging van klimmetjes met je benen doet. Op zich stellen de heuveltjes geen moer voor, maar achter elkaar is het een heel ander verhaal. Mijn benen slijten. Op ieder hellend stuk blijft er een stukje kuit of dijbeen achter. Steeds sneller moet ik naar mijn binnenblad schakelen. En de ketting schuift op ieder klimmetje een beetje verder op naar links.


Stiekemerd

Lus drie is de zwaarste lus van alle vier. De Geulhemmerberg en de Bemelerberg gaan nog, en de Loorberg kun je met een beetje fantasie een loper noemen. Maar daarna begint de ellende. De Gulpenerberg ontneemt me mijn adem. De Kruisberg breekt mijn benen. En daarna loop ik, zoals altijd, in een hinderlaag op de Eyserbosweg. Een stiekemerd is het. Een smeerlap. Het begin is makkelijk. Té makkelijk. Het asfalt bolt lekker, het stijgingspercentage is mild. Tot halverwege is er geen vuiltje aan de lucht. Maar dan, precies op het moment dat je jezelf afvraagt waarom de Eyserbosweg nou eigenlijk bekend staat als één van de zwaarste klimmetjes van Limburg, wordt de weg steiler. En steiler. En steiler. Je ziet het niet maar je voelt het wel. De laatste paar honderd meter is het worstelen om boven te komen. En boven waait het. Zomaar, uit het niets, is er ineens een bak wind. Die staat hier 365 dagen per jaar schuin op de kop, zodat je nog een beetje meer afziet. En zodat het in iedere koers die hier passeert nog even op de kant getrokken wordt.
Helemaal op de top, op de kruising van twee smalle weggetjes, staat een bankje naast een Jezusbeeld. Als ik er langs kom moet ik altijd even denken aan het ultrakorte interview dat Wilfried de Jong er ooit had met Riccardo Riccò. Dat interview ging ongeveer zo:
1. De Cobra komt aanfietsen.
2. Wilfried stelt een vraag over doping.
3. De Cobra fietst boos weer weg.
Na de Eyserbosweg duik ik over een weggetje dat bezaaid is met koeienvlaaien naar beneden. Links in de vallei, en daarna meteen rechts de Fromberg op. Normaal gesproken zou dit niemendalletje geen probleem moeten zijn, maar na meer dan tweehonderd kilometer voelt de Fromberg aan als de Ventoux. Maar het echte probleem van de Fromberg is wat er ná komt. Een muur. De Keutenberg.

Knock-out

De Keutenberg oprijden is als boksen met Mike Tyson. Na een paar seconden ben je al knock-out. Tweeëntwintig procent is het eerste stukje. Daarna kan ik alleen nog maar in de touwen hangen. Trappen om boven te komen, veel meer is het niet. Bij iedere trap vloek ik drieletterige woorden. Ineens weet ik weer waarom we dit pokkeding vroeger de Kuttenberg noemden. Officieel is de Keutenberg een paar honderd meter lang maar dat is een leugen. Na het bordje Keutenberg volgt nog bijna een kilometer vals plat. Op de dag van de toertocht van de Amstel Gold Race lopen hier lange rijen gedesillusioneerde fietsers.
Na de Keutenberg volgt een afdaling naar Valkenburg. En de Cauberg. Want de organisatoren van de Gold Race hebben in hun oneindige wijsheid een poos terug nóg een extra lusje aan het parcours toegevoegd, min of meer het rondje dat ook werd gereden op het wereldkampioenschap in 2012. Over de Geulhemmerberg, over de Bemelerberg en langs de molen.

Finale

Eén bergje rest er nog. De Cauberg. De onvermijdelijke Cauberg. Voor de vierde keer. Want alle wegen in Limburg leiden naar de Cauberg. Het is het enige klimmetje van naam en faam dat we hebben. Het enige bergje dat ze buiten de landsgrenzen kennen. Waar WK’s werden gewonnen en verloren, waar Michael Boogerd jaar na jaar nét niet de Amstel Gold Race won en waar Phillipe Gilbert de concurrentie wegblaast alsof het kleuters zijn op fietsen met zijwieltjes en een Sesamstraatbel.
Je kunt op twee manieren de Cauberg oprijden. Op het binnenblad, met de handjes bovenop je stuur, alsof je een echte berg beklimt. En op het buitenblad, volle bak sprintend, alsof het een viaduct is. Als ik verstandig zou zijn, dan deed ik vandaag het eerste. Maar ik ben niet verstandig. Ik maak tempo in de afdaling vóór de Cauberg. Die komt uit op het Grendelplein, aan de voet van de klim. Op dat plein, vol met terrassen en eetcafés, zitten toeristen aan het bier. Het ruikt er naar friet, naar steak en naar uiensoep. Ik draai links de Cauberg op. Vanaf daar is het achthonderd meter naar boven, aan twaalf procent. Ik begin op 53×14, voel mijn benen schreeuwen, schakel terug naar de 15, hoor mijn longen janken, naar de 16, ik passeer het kerkhof en overweeg er ter plekke te sterven, naar de 17, ik slinger mezelf door de slinger, naar de 19, auauauauauauauauauauauauau, naar de 21, daar is het bruggetje, ik wil nog verder terug maar ik mag niet van mezelf, het melkzuur spuit uit mijn oren, mijn knieën kraken en mijn enkels piepen, ik rochel een ondefinieerbaar stuk uit mijn longen – en dan ben ik boven.
Ooit lag hier de finish. Maar om de koers minder voorspelbaar te maken, ligt die tegenwoordig anderhalve kilometer verderop. Ik piel er op mijn kleinste verzetje naartoe. Bij de streep in Vilt draai ik om. Terug de Cauberg af. Naar het Grendelplein. Daar plof ik neer. Iemand zet een pint voor me neer. Ik denk aan de woorden van Alan Perez. Het voelt inderdaad alsof ik tweehonderdvijftig kilometer in de achtbaan heb gezeten. Maar dat kan ook komen door het bier.


– FLASHBACK –

1979: Amstel Gold Raas
Wie over de Amstel Gold Race spreekt, heeft het over Jan Raas. Met vijf overwinningen is de Zeeuw absoluut recordhouder in het lijstje met meeste overwinningen in de Gold Race. Geen wonder dat men eind jaren zeventig ging spreken over de Amstel Gold Raas. Jan Raas toont zich vaak een koele tacticus met een gevaarlijk en doeltreffend eindschot. Ook in 1979, zijn derde van vijf overwinningen, toen hij met een snedige demarrage vlak voor de finish zijn medevluchters (onder wie zijn ploegmaat Henk Lubberding) het nakijken gaf.

1985: tranen bij ‘De Kneet’
Eigenlijk zat de carrière van Gerrie Knetemann er al op. Hij was vierendertig, en bovendien nooit volledig hersteld van de klap tegen een stilstaande auto in Dwars door Vlaanderen van 1983. En ook zijn tijd in de ploeg van Peter Post was voorbij; Knetemann had een klein contractje bij een klein ploegje. Nog één keer haalde hij uit, in de Amstel Gold Race van 1985. De overwinning werd niet eens zozeer bekend door zijn solo in de finale, maar vooral door het interview na afloop. De Kneet jankte vanuit het diepst van zijn hart zijn ogen uit zijn kop voor de camera van de NOS. En in talloze huiskamers in Nederland werd er met hem meegejankt.

1999: Boogerd versus Armstrong
Vier keer tweede, twee keer derde. Jaar na jaar probeerde Michael Boogerd de Amstel Gold Race te winnen. En vrijwel altijd op dezelfde manier. Aan de boom schudden op de Eyserbosweg en in de finale zo hard mogelijk de Cauberg oprijden. Maar altijd was er wel één sneller. Toch won Boogerd de Gold Race, in 1999. En ironisch genoeg door het tegenovergestelde te doen van wat hij normaal deed. Hij zat kilometers in het wiel van Lance Armstrong en weigerde over te nemen. Mooi was het niet, wel effectief. Op de streep klopte Boogerd de Amerikaan met één centimeter.

2014: recordtijd op de Cauberg
De wind stond vol in de rug en het koersverloop zat mee, maar dan nog: met 35 kilometer per uur de Cauberg op fietsen lijkt onmogelijk. Philippe Gilbert deed het toch, afgelopen april, op weg naar zijn derde overwinning in de Amstel. De 1’22” die hij klokte staat te boek als het officieuze Cauberg-record.

Gerelateerde artikels